Inloggen
voeg je column toe

Columns

CANIS FAMILIARIS

Het is zondagochtend. Ik draai me nog eens heerlijk om. Dan hoor ik een hoge, schelle kinderstem: ‘Snuuuuffieieie, kom, Snuffieieieie, kom dan.’ Oh nee hè, dit is echt irritant als je uit kunt slapen omdat een ander lid van het gezin je eigen hond uitlaat. Die arme, onbekende Snuffie krijgt het wel te verduren: ‘Neeeeee, Snuffie. Niet doen. Foei. Af.’

Mijn geduld wordt zwaar op de proef gesteld. Heel zwaar. Snuffie krijgt nog herhaaldelijk op zijn kop. Afwisselend wordt hij beloond en bestraft. Het moet vreselijk verwarrend voor hem zijn. Ik moet de neiging bedwingen uit bed te springen, het raam open te gooien en tekeer te gaan.

Opeens moet ik denken aan een scène van lang geleden. Mijn eigen hond was nog een pup die ‘s ochtends vroeg uit moest. Ook ik lokte haar met hoge stem en moedigde haar aan met ‘pak bal’ waarbij ik, loslopen was toen nog niet echt verboden, een tennisbal door de straat liet stuiteren.
Op een dag ging er een slaapkamerraam open. Een ongewassen en ongeschoren man hing uit het raam en vloekte mij stijf. Voor mij is dat heden ten dage er een bevestiging van dat alles wat je uitzendt als een boemerang terugkomt. Soms jaren later pas. Ik blijf dus liggen en duw mijn oordoppen diep mijn gehoorgangen in. Het lukt me mijn zelfbeheersing niet te verliezen en na enige tijd ebt het lawaai weg. Dat is ook altijd een schrale troost. Geluid komt en gaat, komt en gaat en dat doet het al eeuwen.

Gisteren kwam ik een bazinnetje tegen dat ik niet kende. Aan een riem zat een enorme zwarte reu van een ras dat ik niet een twee drie kon benoemen. In hondenbezitterland wordt dan de situatie als volgt afgehandeld in hondenliefhebberjargon. Ik zeg: Oh jee, kan het kwaad?’ Daar bedoel ik mee of ik gewoon zonder dat er brokken gemaakt worden kan passeren. Op mijn vraag volgt dan steevast: ‘Nee hoor, hij doet niets’ of ‘hij is niet zo aardig hoor.’
Ik zeg dan weer: ‘Ja, ik vraag het altijd maar liever even.’ Dit keer kwam er van haar kant nog tekst achteraan.
Wij zeggen altijd: ‘Kijk, Opahond. Dat is voldoende. Dan weet hij dat hij met een oude hond te maken heeft en dat hij zachtjes moet doen en bij pups zeggen we altijd Babyhond.’
Dat vond ik leuk en origineel. Ik zeg alleen bij jonge dieren ‘Kijk, puppenkind, lief hè, záchtjés!’. Voor oudere honden had ik nog nooit iets bedacht. Meestal gaven de bazen zelf al tijdig aan dat hij of zij oud was. Het is trouwens gebruikelijk om belangstellend naar de leeftijd van elkaars honden te informeren.

Enfin, het baasje van de grote, zwarte reu en ik passeerden elkaar zonder problemen. De standaardzin ‘ja het zijn en blijven toch dieren’, rolde moeiteloos van mijn tong.
Mijn hond heeft een bijzondere naam. De meesten horen hem voor het eerst als hij ter sprake komt. Een enkeling herkent hem meteen en wordt door mij gelijk omarmd als zijnde een zielenmaat. Eigenlijk heeft ze drie namen. Haar roepnaam is Rilke. Jawel, naar de beroemde Rainer Maria.
Haar tweede naam is Bopke, een verbastering van de naam van haar voorganger Bopper, die ons helaas op achtjarige leeftijd ontviel. Toen ik zijn as uitstrooide, stond ik verkeerd in de wind. Het had tot gevolg dat ik alle resten over me heen kreeg.
Rilkes derde naam is Hazehartje. Die heb ik uit het favoriete kinderboek van mijn jeugd: Hazehartje op reis. Die naam heb ik gekozen omdat Rilke van pup af aan al wat op haar hoede is, net als ik. Ze is lief, zacht en hangt aan me zoals nog nooit iemand dat heeft gedaan. Buiten spreek ik haar dan ook met regelmaat toe, terwijl zij met haar neus haar ‘post’ ophaalt. Honden kijken nu eenmaal met hun neus, verzekerde mij ooit een oude buurvrouw. Dat gaat dan als volgt: ‘Rilke, Bopke, Hazehartje Vrolijk!’ Want dat is haar achternaam.

Ik mag graag troetelnamen geven. Zo heeft ook Rilke er een hele sliert: Hertje, Vosje, MiezeMuis, Rielkiepielkie (de laatste komt van een hondenbazinnetje uit de buurt), Hobbelwoef, Wiebelkont en Trippeltrappel. Gelukkig ben ik niet de enige die deze afwijking heeft.
Omdat ik nog restanten Calvinisme in me heb, is Rilke ook gedoopt. Bij de keukenkraan. Dat zijn trouwens alle huisdieren die ik heb gehad. Van cavia en parkiet tot konijn. De goudvissen hoefden natuurlijk niet.
Als ze uit logeren gaat, krijgt ze een briefje mee met instructies: etenstijden, kaakje bij de thee, uitlaattijden, troetelnamen die moeten worden geuit en - ook een overgehouden tik uit mijn opvoeding - een avondgebedje dat dient te worden gezongen voor het slapen gaan.
Ze zeggen altijd dat hond en baas op elkaar lijken. Daarom vond ik het minder geslaagd dat een hondenbazinnetje, telkens als we haar tegenkwamen, het nodig vond Rilke met verdragende stem te begroeten met: ‘Ha, Tut, ja, ja, ha, Tut van me.’ Ik durfde er niets van te zeggen, maar ik kon haar wel wurgen. Gelukkig is ze nu verhuisd.

Nu lijkt het alsof ik alleen hondenbazinnetjes tegenkom, maar er zijn ook zat hondenbázen, bij wie ze nogal geliefd is eigenlijk. Een van hen noemt haar Muizensnuitje. Zelf mag ik haar graag als volgt begroeten als ik van mijn werk of een boodschap doen thuiskom. Ik strijk dan met mijn handen over de bezongen delen natuurlijk met: ‘Hallo met die dikke billen, hallo met die zachte buik, hallo met die grote oren, hallo met die leuke snuit.’
Het is een begroetingsritueel dat me nooit teveel zal worden.
Op het Rilke Forum in Suzammenarbeit mit der Rilke-Gesellschaft zegt iemand: ‘Ich vermute am nächsten stand Rilke der Hund.’
Ik sluit me daar wat graag bij aan.

Schrijver: Anneke Haasnoot, 24 feb. 2013


Geplaatst in de categorie: dieren

2,6 met 8 stemmen 185



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)