Goede gewoonten
“Goeie voornemens zijn nog altijd beter dan dat gezeik achteraf,” kopt Loesje op 1 januari.
Mijn hoofd bonkte van te veel champagne: een knaller van een cliché.
Te veel, dat is het hem juist; alleen nuchter kun je zulke constateringen doen.
Maar nuchter was ik niet, dus ik schonk vrolijk bij. Goede voornemens, ik zit er vol mee. Het gaat natuurlijk om de uitvoering.
Ik dacht aan mijn weken als verkoopmedewerker bij de Bruna.
Tot het telefoontje van de winkelmanager: “Hoe vind je zelf dat het gaat?”
We weten niet hoe we de zaak draaiende moeten houden zonder jou, maar we gaan het toch proberen.
Nee, dat zei ze niet.
Maar het is een grap van een komiek die bij ons thuis al jaren voor hilariteit zorgt en nu zomaar op mij van toepassing was.
’s Nachts lag ik wakker. Een parade van afwijzingen en mislukkingen trok voorbij.
Geen schaapjes dit keer, maar talloze momenten waarop ik had gefaald.
Na twee koffie dacht ik: je kunt ook stilstaan bij momenten van geluk, afgewisseld met mislukkingen; dat geeft een genuanceerder beeld.
Daar moet daglicht bij zijn, om zoiets in je op te laten komen. Ik las ooit dat je beter niet over je leven kunt nadenken na negen uur ’s avonds. Dat is vragen om moeilijkheden.
Het afschaffen van goede gewoonten, laat ik daar eens mee stoppen.
Ruim twee jaar draaide ik, elke ochtend, na het warme water de douchekraan met een ferme slag op koud. Bam.
Een mentale kwestie, die ijskoude straal in je gezicht, op je hoofd, je lijf, je voeten en weer terug.
Iets tussen afschuw en de wil om te trotseren. Na een paar minuten voelde ik me als herboren.
Tot ergens halverwege december de klad erin kwam. En als ik een goede gewoonte één keer oversla, gebeurt er iets met me. Het voelt als falen, en dan valt de routine in duigen.
Ik had het ook met fitness. Acht jaar lang ging ik trouw twee keer per week.
Op een dag stond ik voor het toegangspoortje, keerde om en fietste weer naar huis.
Pas sinds kort heb ik het weer opgepakt.
Panisch was ik om een keer te skippen. Dus stapte ik ook op mijn fiets richting sportschool, ondanks waarschuwingen voor gladheid. Daar lag ik even later languit in een koude plas.
Een man die me tegemoetkwam, zette mijn fiets overeind. Ik lag eronder.
“Gaat het?” vroeg hij.
Ik was doorweekt, voelde mijn heup branden, en taaide toen pas af. Dat was de enige keer in al die jaren. Tot het moment dat ik vanzelf omkeerde.
Ik kijk op tegen mensen die discipline hebben en volgens een vaste structuur leven (wie niet).
Ik probeer het mijn zoon ook uit te leggen: met structuur komt vrijheid. Het is de paradox waar Sartre al over sprak.
Hij is, net als ik, beducht zijn pas opgebouwde routine los te laten, bang dat het bouwwerk instort.
Mijn man leeft juist met structuur. En hij sport van jongs af aan, uit zichzelf.
Misschien kan hij het zich daarom veroorloven om een keer over te slaan.
“Iets is beter dan niets,” zegt hij dan.
Niet meteen afhaken. Morgen weer dat koude water in. Doe je mee?
5 januari 2026
Geplaatst in de categorie: actualiteit

Geef je reactie op deze inzending: