Inloggen
voeg je beschouwing toe

tabblad: beschouwingen

< vorige | alles | volgende >

beschouwing (nr. 3954):

Vervuld van de Heilige Christusgeest

(voor Léon Bloy (1846 - 1917))

Je bent geboren op 11 juli 1846 in Périgueux, in Notre-Dame-de-Sanilhac. Jouw vader Jean-Baptiste Bloy (1814 - 1877) was een Voltairiaanse vrijdenker en een ingenieur. Jouw moeder Anne-Marie Carreau (1818 - 1877) was een strenge, disciplinaire en vrome Spaans-roomse dochter van een Napoleontische soldaat. Jij was de tweede van zeven zonen. Je had een ongelukkige jeugd en als agnosticus haatte je de roomse kerk en het roomse onderwijs. In het kantoor van jouw vader leerde jij technisch tekenen, je ontwierp tragedies en je studeerde kunst.

In 1864 vond jouw vader in Parijs een baan voor jou. Je werkte als kantoormedewerker/tekenaar bij een spoorwegmaatschappij. Daarna wilde je schilder worden. In december 1868 kreeg je contact met de 59-jarige, roomse en anti-republikeinse schrijver Jules Barbey d'Aurevilly, die in de Rue Rousselet tegenover jou woonde. Je werd zijn secretaris en hij werd jouw mentor. Kort daarna maakte jij een dramatische, religieuze bekering mee. Bij Jules ontmoette jij enkele royalisten; de staatsman/filosoof Louis de Bonald, de staatsman/filosoof/schrijver/vrijmetselaar Joseph de Maistre en de diplomaat/staatsfilosoof Juan Donoso Cortés, die op 3 mei 1853 door hartfalen overleed. Hij werd 43 jaar.

Jij bestudeerde de (Biblia) Vulgata en de werken van de filosoof/socioloog Antoine Blanc de Saint Bonnet, die ook Jules Barbey d'Aurevilly en Charles Baudelaire beïnvloedde. Antoine Blanc was een leerling van de schrijver/filosoof Pierre-Simon Ballanche en de historicus/filosoof Edgar Quinet. Jij bestudeerde ook de heilige mystici Anna Katharina Emmerick en Angela von Foligno. In 1869 keerde je terug naar het rooms-katholieke geloof. In de Frans-Duitse oorlog van 1870/1871 nam je dienst in de Mobiles de la Dordogne. In 1893 schreef je in 'Sueur de Sang' over jouw oorlogservaringen. Na de oorlog woonde je met jouw ouders tot 1873 in Périgueux. Je had intense, spirituele ervaringen.

Je werkte bij een advocaat en van 1873 tot 1877 was je een accountant voor de spoorwegen en een journalist voor de conservatieve krant L'Univers. Je had conflicten met jouw werkgevers en collega's. Je had contact met de schrijver/filosoof Ernest Hello en de schrijver Paul Bourget. Abbé Tardif de Moidrey liet jou met het wonder van een Maria-verschijning kennis maken, zoals in La Salette, waar Abbé Tardif in 1879 overleed. De kinderen Maximin Giraud en Mélanie Calvat zagen Maria in La Salette-Fallavaux verschijnen. Van 1877 tot 1882 had jij een liefdesrelatie met de prostituée Anne-Marie Roulé, die in jouw roman 'Le Désespéré' uit 1897 Véronique heet. Je ging diverse keren bij de Trappisten en de Karthuisers logeren. Anne-Marie werd rooms en als zieneres voorspelde zij de komst van de Heilige Geest en een martelaarschap voor jou, wat je dan ook altijd verwachtte. In 1882 werd Anne-Marie waanzinnig en ging ze naar een inrichting in Caen, waar ze in 1907 is overleden.

In Caen staat de kloosterkerk van Sainte-Trinité met een Benedictijnse abdij, die rond 1060 is gesticht door hertogin Mathilde van Vlaanderen, de vrouw van hertog Willem I. In die tijd werd ook de kloosterkerk en de Benedictijnse abdij van Saint Etienne gebouwd, waar in 1087 Willem I is begraven. Mathilde is in 1083 in de Sainte-Trinité begraven. Door het overlijden van Anne-Marie werd je diep wanhopig en opstandig. Je had contact met het Cabaret 'Le Chat Noir' in Montmartre en je schreef artikelen, pamfletten en polemieken voor enkele kranten. Je had een liefdesrelatie met de prostituée Berthe Dumont, die in 1885 door tetanus overleed. In jouw roman 'La Femme pauvre' uit 1897 heet zij Clotilde Maréchal. Je was een bohemien en je leed aan armoede.

In 1889 ontmoette je in Parijs Johanne Molbeck (1859 - 1928), de dochter van de Deense dichter Christian Molbeck. In 1890 trouwden Johanne en jij in een RK-kerk in Parijs. Jullie gingen naar Denemarken, maar jullie keerden al snel weer naar Parijs terug. Jullie veranderden vaak van woonappartement. Jullie kregen samen vier kinderen. Jullie zonen André en Pierre overleden in 1895 door de honger. Jullie dochters waren Véronique en Madeleine. Jullie leefden in armoede en in een sociaal stigma. Jij had een gebrek aan erkenning en jij schreef in een voortdurende staat van lijden. De armoede leidde jou naar God. In 1916 erfde jij het huis van de overleden schrijver Charles Péguy in Bourg-la-Reine.

De protestantse theoloog Walter Nigg noemde jou 'De blaffende hond van God'. Jij wilde naar het vroege christendom terugkeren en de totale armoede. Je was o.a. bevriend met de filosoof Jacques Maritain en zijn vrouw, de filosofe/dichteres Raïssa Oumançoff, de schrijver Joris-Karl Huysmans, de schilder Georges Rouault en de schrijver Pieter van der Meer de Walcheren. Jij overleed op 3 november 1917 in Bourg-la-Reine en je werd 71 jaar.

Schrijver: Joanan Rutgers
17 jun. 2020


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 45



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)