Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen

Op aarde een geestelijke vreemdeling gebleven

(voor Sigbjorn Obstfelder (1866 - 1900))

Je bent geboren op 21 november 1866 in Stavanger. Jouw vader was de meesterbakker Herman Friedrik Obstfelder (1828 - 1906), die jou weinig emotionele en financiële steun gaf. Jouw Joodse moeder was Serine Egelandsdal. Jij was de achtste van zestien kinderen, waarvan er zes volwassen werden. Jouw ouders verhuisden in 1879 naar Jorpeland en jij bleef bij jouw oudste zus Bertha, een lerares, op de Waisenhusgate 45 in Stavanger wonen. Op jouw 13-de kreeg jouw oudere broer Johan Gottfried een zenuwinzinking en op zijn 21-ste werd hij ongeneeslijk krankzinnig verklaard, waarna hij in het psychiatrisch ziekenhuis Rosenberg in Bergen werd opgenomen. Jouw twee jongere zussen Signe en Anna waren ook psychiatrische patiënten. Op jouw 14-de overleed jouw moeder Serine door een miskraam van haar 17-de kind in Jorpeland. Ze werd 44 jaar.

Enkele jaren later verhuisde jouw vader met de andere kinderen naar een huurhuis plus bakkerij op Nygaten 28 in Stavanger. Jij studeerde aan de Stavanger Cathedral School in het centrum, in Kongsgard, waar je in een kerstkomedie acteerde. In de lente van 1886 was je huismeester bij de familie Bennetter in Sola. Je wandelde geregeld naar jouw familie op inmiddels Pedersgateen 25 in Stavanger. In 1886 begon je filologie aan de Universiteit van Kristiania te studeren. Je werd sterk beïnvloed door Charles Baudelaire en de andere Franse symbolisten. Het verlies van jouw moeder en het gevoel van de steeds aanwezige dood hebben jouw schrijven ook sterk beïnvloed. In oktober 1888 begon je engineering (ingenieurswezen) aan de Kristiania Technische School te studeren. De schooldirecteur was Ernst Anton Henrik Sinding. Je hebt de studies filologie en engineering niet afgemaakt.

In 1890 ging jij samen met jouw broer Herman naar Amerika, waar jij in Milwaukee en Chicago woonde. In Milwaukee, Wisconsin, had je een baan als technisch tekenaar/civiel ingenieur bij een brugbouwbedrijf. Je probeerde ook een componist te worden. In Amerika schreef je dagboeken, die ook gepubliceerd zijn. Na een jaar was je in 1891 in Noorwegen terug, berooid en ontgoocheld. Je kreeg een zenuwinzinking en een zware depressie. Bij de familie van een jongedame, waar je smoorverliefd op was, ging je naakt huilen en schreeuwen. In 1892 ben je in het psychiatrische ziekenhuis in Gaustad, Oslo, opgenomen. Daarna was je sociaal verlamd en mensenschuw. Jouw eerste publicatie in het feministische tijdschrift 'Nylaende' ging over de kuisheid van mannen voor het huwelijk. Daarin had je het al over de rode draad in jouw werk, de angst voor de erotisch actieve vrouw. De redactrice van 'Nylaende' was de suffragette/schrijfster Gina Krog. In 1892 ontmoette jij de kunsthistoricus/museumdirecteur Jens Thiis, die jou in de Noorse, literaire scène introduceerde. Jens en jij reisden samen naar Parijs, Brussel en Brugge, waar jij enkele uitstekende werken schreef.

In 1892 publiceerde jij twee gedichten in het literaire/politieke tijdschrift 'Samtiden', opgericht in 1890 door de natuurwetenschapper/politicus Jorgen Brunchorst en de literair historicus/professor/biograaf Gerhard von der Lippe Gran, getrouwd met Maren Elisabeth Bull Somme, wiens moeder Johanne Margrethe de nicht van de grote schrijver Alexander Kielland en de landschapsschilderes Kitty Lange Kielland was. Gerhard schreef ook een biografie over Alexander Kielland. Alexander sprak een hele nacht met jou en hij vond jou maar een vreemde man. In 1893 verscheen 'Gedichten'. In september 1893 woonde jij in een zolderkamer aan de Abel Cathrinesgade in Vesterbro, Kopenhagen. Jij at vaak bij jouw tante op de Svanemosegardvej 8, waar zij de huishoudster van twee Noorse, bejaarde dames was, die jij met jouw vioolmuziek vermaakte. Of je las jouw gedichten voor, maar dat verbaasde hun. Jouw beste vriend was de beeldhouwer Anders Jensen Bundgaard, die de Christiansborg en het stadhuis decoreerde en die in 1908 de imposante Gefion Fontein in Amaliegade maakte. Anders was een leerling en medewerker van Ferdinand Edvard Ring. In 1895 verscheen 'Twee novellen', in 1896 de roman 'Het Kruis', in 1897 het toneelstuk 'De rode druppels' en in 1898 het toneelstuk 'Om vaaren' (In het voorjaar), wat in 1902 in het Nationaal Theater werd opgevoerd, net als 'De rode druppels'. Je raakte depressief door een writer's block en je speelde viool in Kafé Bernina aan Stroget, waar de schrijver Gunnar Heiberg en de schilder/schrijver Christian Krohg met zijn vrouw, de wijze en bloedmooie schilderes Oda Lasson, jou aanmoedigden. Je geld was op en na nog een tijd bij de drie dames op Svanemosegardvej 8 te hebben gewoond, verliet je Kopenhagen.

Jij was één van de belangrijkste schrijvers van de Noorse literatuur in de late 19-de eeuw en jij was de literaire gelijke van Edvard Munch's schilderijen. Munch was een vriend van jou en hij maakte twee lithografieën van jou. In 'Samtiden' publiceerde jij een verdedigingsessay voor Munch en zijn werk. Munch was in het bezit van enkele manuscripten van jou. Blijkbaar vond je dat een veilig idee, want hij zal ze niet ontvreemd hebben. Jij en jouw onvoltooide boek 'Een dagboek van een priester' inspireerden Rainer Maria Rilke tot het schrijven van zijn enige roman 'Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge' uit 1910, geschreven in Parijs en autobiografisch. Jij was de eerste, modernistische dichter van Noorwegen. Je schreef vrije verzen en prozagedichten, met als kenmerken angst, eenzaamheid en vervreemding. Jouw poëzie bezit ook spirituele diepgangen. Na jouw opname in de psychiatrische kliniek in Oslo zwierf jij door Scandinavië. Jij leefde als een zwervende pauper en jij had een labiele, geestelijke gesteltenis met diverse zenuwinzinkingen. Je was zwaarmoedig en neoromantisch. Jouw beeldtaal was psychotisch, schizofreen en hallucinerend. Veel van jouw poëzie is gesublimeerde erotiek. Je was ook beïnvloed door Walt Whitman en Soren Kierkegaard.

In 1897 ontmoette jij Helga Ingeborg Maria Weeke, geboren op 30 augustus 1876 in Kopenhagen. Zij was 21 jaar en zij studeerde zang. Haar vader was de groothandelaar Johan Martin Weeke en haar moeder was Ida Cathrine Mogensen. Ingeborg was half verloofd met de Deense tekstschrijver Laurits Christian Nielsen. Ingeborg hield van jullie beiden, maar jij was vreselijk jaloers. In 1898 verbrak zij de relatie met Laurits, die in 1899 met de pianiste Margrethe Dorph-Petersen trouwde. Op 5 juni 1898 zijn Ingeborg en jij getrouwd. Jullie gingen naar Parijs en daarna steeds op reis. In de Rivièra ontmoetten jullie Johan Bojer, die over jullie schreef: 'Ze wil alleen maar over erotiek praten - ze heeft altijd van omhelzingen en vurig vrijen gedroomd - en hij kijkt weg en buigt zijn hoofd'. Jullie wandelden over de Noorse bergen en in Berlijn was het geld op en liet je haar alleen achter, terwijl jij naar een plek nabij Randers ging. In het voorjaar van 1900 zijn jullie in Kopenhagen herenigd en naar Osterbro verhuisd. Ingeborg was zwanger en in mei 1900 gingen jullie naar een boerderij nabij Rangers. In juli 1900 gingen jullie naar Osterbro terug. Jij werd ernstig ziek en je werd in het Stedelijk Ziekenhuis in Kopenhagen opgenomen.

Op 29 juli 1900 ben jij in Kopenhagen door tuberculose overleden. Jij werd 33 jaar en jij bent op 1 augustus 1900 in de Frederiksberg Oude Begraafplaats in Kopenhagen begraven. Op diezelfde dag werd jullie dochter Lili Obstfelder geboren. Daar staat een buste van jou, net zo als de buste in het stadspark in Stavanger, in 1917 gemaakt door Gustav Vigeland. In Trondheim staat een buste van jou uit 1970 van Per Palle. Ingeborg overleed op 27 november 1930 in Nykoping. Zij werd 54 jaar. In een dichtregel schreef jij letterlijk: 'Jeg er vist kommet paa en feil klode!' (Ik ben op de verkeerde planeet beland!).

Schrijver: Joanan Rutgers
13 feb. 2021


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 40



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)