Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen

Barre tijden met verwoestende effecten

(voor Ida Simons (1911 - 1960))

Jij bent geboren als Ida Rosenheimer op 11 maart 1911 in Antwerpen. Jij was het enigste kind van Moritz (Maurits) Rosenheimer (1875 - 1936) en Constance Vecht (1886 - 1963). Jouw vader stamde uit een gegoede, Joodse koopmansfamilie in Duitsland, maar zelf mislukte hij als zakenman/koopman en waren er financiële problemen. Jouw moeder was Nederlands, maar in Engeland geboren en zij sprak graag Engels. Er werd thuis Nederlands, Duits, Engels, Jiddisch en Vlaams gesproken. In augustus 1914 gingen jullie via Engeland naar Nederland, waar jullie in Scheveningen en Den Haag woonden. Op 14 juli 1921 kregen jullie de Nederlandse nationaliteit. In 1922-1923 woonden jullie een tijd in Berlijn, waar jouw vader zaken wilde doen, maar dat liep uit op een fiasco en na enkele maanden waren jullie weer in Scheveningen, waar jullie op de Nieuwe Parklaan 149 woonden. In 1926 gingen jullie op de Rusthoekstraat 48 wonen. Jij studeerde piano bij Paul Frenkel, die in Den Haag woonde en de hoofdleraar van de Muziekschool voor Toonkunst in Rotterdam was. In Londen studeerde jij piano bij de Joods-Poolse pianist Jan Smeterlin (1892 - 1967) en in Parijs bij de pianist/pedagoog Paul Louis Loyonnet (1889 - 1988).

Op jouw 19-de debuteerde jij als concertpianiste in het orkest Le Cercle Musical Juif in Antwerpen. Jij speelde ook in Diligentia, een geleerd genootschap op de Lange Voorhout 5 in Den Haag, opgericht in 1793. En jij speelde in het Gebouw voor de Kunsten en Wetenschappen en in de Scheveningse Kurzaal. Jij trad op met alle Nederlandse symfonie-orkesten, zoals het Concertgebouworkest, geleid door Bruno Walter, en het Residentie Orkest. Jij deed optredens in Brighton en Hastings en jouw concertopnames waren in de jaren 30 regelmatig op de radio te horen. Jij begeleidde andere musici. Op 11 januari 1933 trouwde jij in Den Haag met de jurist David (Dagobert) Simons (1904 - 1998), die toen ambtenaar Provinciale Griffie in Den Haag was. Jullie woonden eerst op de Cornelis Jolstraat 87 en later op de Johan van Oldenbarneveltlaan 26 in Den Haag. Vanaf 1936 was David directeur van het Bureau Verificatie bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In 1937 werd jullie zoon Carel Arthur Jan geboren. In mei 1938 gaf jij samen met Samuel Swaap een concert in de Koninklijke Schouwburgzaal op een speciale avond voor het Joods Nationaal Fonds. In 1941 werd David bij de VNG ontslagen. Hij werd leraar boekhouden en handelswetenschappen op het Joods Lyceum op de Fisherstraat 135 in Den Haag. In 1942 kwamen jullie namen op de lijst Plan-Frederiks, een beschermlijst voor 'verdienstelijke Joodse Nederlanders'. David kende de lijstmaker secretaris-generaal K.J. Frederiks. Door David kwamen er veel leraren van het Joods Lyceum op die lijst te staan.

Ondanks de lijst-Frederiks werden jullie in april 1943 naar Kasteel De Schaffelaar in Barneveld gestuurd, waar muziekavonden waren, o.a. met musici uit Huize de Biezen, zoals de Joodse violist/dirigent Sam Swaap (1888 - 1971). Jouw zoon was daar ernstig ziek. In september 1943 werden jullie naar kamp Westerbork gestuurd, waar een voltallig symfonie-orkest was en kamermuziekconcerten werden gegeven. Jij deed solo-optredens en jij speelde met de violist Herman Leydensdorff. In juni 1944 werd eenmalig de opera-parodie 'Ludmilla' opgevoerd, met de Westerbork-commandant Albert Gemmeker op de eerste rij. De ondertitel was: 'Lijken aan de lopende band'. Het was van Gruppe B"hne, geleid door Max Ehrlich. In Westerbork ontmoette jij opnieuw de Joodse zangeres/verzetsstrijdster Rebekka Lien Brilleslijper (1912 - 1988) en haar zus, de verzetsstrijdster Janny Brilleslijper (1916 - 2003). Lien en Janny hebben Anne en Margot Frank in Westerbork en Bergen-Belsen gekend. Lien en Janny waren de heldinnen van 't Hooge Nest, waar zij veel Joodse mensen lieten onderduiken. Roxane van Iperen heeft daar een mooi herdenkingsboek over geschreven, vanuit 't Hooge Nest zelf, the place to be voor inspiratie. Lien en Janny hebben de ontzielde lichamen van Anne en Margot in een massagraf moeten begraven. Nauwelijks te bevatten zo pijnlijk. In juli 1944 speelde jij mee met de laatste muziekuitvoering. Op 3 augustus 1944 werden alle culturele activiteiten verboden.

In september 1944 werden jullie naar het concentratiekamp Theresienstadt gestuurd, waar jij samen met Leydensdorff, Swaap, Siegfried de Boer en Sam Tromp musiceerde. Op 5 februari 1945 werden er zo'n 1200 Joodse kampgevangenen vrijgelaten en naar Zwitserland gebracht. Jullie waren daar bij. Heinrich Himmler ruilde jullie tegen munitie. In de zomer van 1945 kwamen jullie in Nederland terug. Jouw eerste na-oorlogse optreden was met Samuel Swaap in Diligentia en één maand later in Museum Boijmans. In 1946 verscheen jouw dichtbundel 'Wrange oogst', met het lyrisch verwerken van jouw oorlogservaringen. David schopte het tot advocaat en hoogleraar bestuurswetenschappen. Jullie huwelijk verslechterde, want jij vond David maar een saaie en serieuze onnozelaar geworden. Van november 1950 tot maart 1951 was jij op tournee in Amerika. In New York City ontmoette jij Marnix Gijsen en het klikte bijzonder goed tussen jullie. In 1956 verscheen onder het pseudoniem Clara Serena van Berchem jouw novellenbundel 'Slijk en Sterren' bij uitgeverij Stols, met het verhaal 'In Memoriam Mizzi', wat jij voor jouw zoon had geschreven. Gijsen zat ook bij Stols. Het werd door Jan Greshoff afgekraakt, maar zijn vrouw stuurde jou een troostbrief. De oorlog had jou vreselijk verzwakt en na een tweede, Amerikaanse tournee in 1953 stopte jij met jouw muziekcarrière. Je kon het geestelijk en fysiek niet meer voortzetten. Daar kwam de schrijfkunst voor in de plaats. En jij maakte aquarellen en cabaretliedjes.

In 1959 verscheen jouw beroemde, succesvolle, autobiografische roman 'Een Dwaze Maagd', met opnieuw als thema de overlevingsstrategie. Jouw werk werd vergeleken met Nescio, Elsschot en jouw vriend Gijsen, die jou zo'n 100 brieven schreef. Maarten 't Hart noemde jouw roman 'één van de hoogtepunten uit de Nederlandse literatuur'. Soms las jij voor uit jouw eigen werk, maar meestal leefde jij teruggetrokken. Toen Marga Minco voor 'Het bittere kruid' gehuldigd werd, gaf jij haar zomaar een gouden ring met een parel. Jij zag in Marga een verdrietig klein meisje, dat niet in haar droevige gedachten gevangen mocht blijven. Jij zag precies jezelf, wat je wel begreep. Jij was een supermooie en elegante vrouw, die zich altijd mooi kleedde. Maar diep inwendig was jij onherstelbaar kapotgemaakt en zwaar depressief. Onder jouw masker van vitaliteit en vrolijkheid schuilde een verdrietig en weerloos kind, gedoemd tot treurigheid en noodlottigheid. Daarbij was dat hou-je-maar-groot-masker meer en meer versleten en afgebrokkeld. Op 27 juni 1960 pleegde jij zelfdoding in jouw woning op de Johan van Oldenbarneveltlaan 26. Dit is door jouw familie (moeder, man en zoon) bewust verdonkeremaand, blijkbaar omdat het al erg genoeg was. Jij werd 49 jaar en jij bent in de Joodse begraafplaats aan de Oude Scheveningseweg begraven. In 1961 verscheen postuum jouw onvoltooide roman 'Als Water in de Woestijn'. Verder verscheen nog 'Fantaisie-Inpromptu - Ter herinnering aan Ida Simons-Rosenheimer'.

In 2021 verscheen jouw biografie 'Ida Simons. Pianiste, schrijfster, overlevende' van de schrijfster/dichteres Mieke Tillema (1944, Rotterdam), die van 1969 tot 2008 lerares Nederlands aan het Stedelijk Gymnasium Haarlem was. Zij publiceerde o.a. in De Gids, De Tweede Ronde, Hollands Maandblad en Tirade, ook een essay over het plagiaat van Bordewijk. Mieke interviewde o.a. Dolf Verroen (1928, Delft), die een bijzonder verhaal over jou vertelde. Haar biografie verscheen bij uitgeverij Cossee, met de uitgeefster Eva Cossée (1954, Den Haag), die in 2014 al 'Een Dwaze Maagd' opnieuw heeft uitgegeven. Mieke putte ook uit jouw brieven aan een verre achterneef, de kunsthistoricus Julius Samuel Held (1905 - 2002), getrouwd met de kunstconservatrice Ingrid-Marta Nordin-Petterson, met wie hij 2 kinderen kreeg. Mieke kreeg de partituren van 'Ludmilla' van jouw schoondochter Marita. David overleed in 1998 en Carel Arthur Jan overleed in 2009.

In de NRC van 28 januari 2022 recenseerde Marjoleine de Vos Mieke's biografie over jou. Ze koos voor de titel 'Een geknakte carrière als pianiste'. Toch was het meer dan 'geknakt' en zeg maar gerust 'gebroken'. Er lag daaronder nog de verwoestende werking van jouw oorlogsleed, sterk verweven met jouw pianowereld, wat resulteerde in een suïcidale depressie. Marjoleine schrijft: 'Wellicht was ze voor de oorlog al geneigd tot somberheid, erna lijdt ze aan depressiviteit. Ze voelt zich niet meer thuis in Nederland, ze voelt zich er niet meer bij horen. Geen wonder, gezien ook de bekend koele ontvangst die Nederland teruggekeerde Joodse burgers bereidde.' en 'Op de omslagfoto van het boek zie je een vrouw met een mooi en geestig gezicht en een niet te ontkennen waas van melancholie en verdriet. Zoveel talenten en toch steeds dat zinnetje op de achtergrond: 'I am done for'.

Schrijver: Sir Joanan Rutgers
4 februari 2022


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 34



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)