Alles in niets, deel II.
Het Tegenlicht.
Misschien is het waar dat ruimte oplost wanneer we niet bewegen, dat tijd verdampt wanneer we haar tot op het bot ontleden, en dat het hele universum zich ontvouwt in een punt zonder omvang. Maar misschien is dat niet het hele verhaal. Misschien is het slechts één manier om te kijken, een perspectief dat helder wordt wanneer we de wereld terugbrengen tot de binnenkant van ervaring. Want wat we zien wanneer we stilvallen, is niet noodzakelijk wat de wereld is, maar wat zij voor ons wordt wanneer onze beweging stopt. Het kan zijn dat ruimte niet verdwijnt, maar dat onze toegang ertoe tijdelijk wordt opgeschort. Dat de wereld niet oplost, maar dat onze waarneming zich vernauwt tot een vlak zonder differentiatie. Misschien is het niet de ruimte die verdwijnt, maar onze mogelijkheid om haar te ervaren. En misschien is dat onderscheid belangrijker dan het op het eerste gezicht lijkt. Want als ruimte slechts een constructie is, waarom blijft ze dan zo hardnekkig terugkeren zodra we weer bewegen, zodra we weer handelen, zodra we weer leven?
En wat de tijd betreft, het is overtuigend om te zeggen dat verleden en toekomst slechts verschijningen in het heden zijn. Maar misschien is dat een gevolg van hoe bewustzijn werkt, niet van hoe de werkelijkheid is. Misschien is het geheugen geen bewijs dat het verleden niet bestaat, maar slechts een manier waarop het verleden zich aan ons toont. Misschien is verwachting geen bewijs dat de toekomst niet bestaat, maar slechts de manier waarop de toekomst zich aankondigt. Het zou kunnen dat tijd niet oplost in het nu, maar dat het nu slechts het enige venster is waardoor wij tijd kunnen zien.
Misschien is het punt zonder omvang geen fundament van de werkelijkheid, maar een grens van onze waarneming. Een grens die nergens ligt omdat wij haar nergens kunnen vinden, niet omdat zij nergens is. Misschien is het niets waarin alles verschijnt geen kosmische grond, maar een menselijke beperking. Een stilte die niet spreekt over het universum, maar over de manier waarop wij betekenis construeren wanneer alle andere structuren wegvallen. En zelfs als alles wat we ervaren geen fysieke uitbreiding heeft, betekent dat dan dat het niets is? Misschien is het precies andersom, en dat het innerlijke, het mentale, het bewuste, een eigen soort realiteit heeft die niet afhankelijk is van ruimte of tijd, maar die daarom niet minder werkelijk is. Misschien is het niets waarin alles verschijnt geen leegte, maar een andere vorm van zijn, niet fysiek, maar ook niet afwezig. Een domein dat niet kapot kan omdat het geen materie betreft, maar dat daarom niet noodzakelijkerwijs de grond van alles hoeft te zijn.
En wat als de oerknal geen voortdurende cognitieve explosie is, maar een gebeurtenis die werkelijk plaatsvond, onafhankelijk van onze ervaring? Wat als het universum niet in ons verschijnt, maar wij in het universum? Wat als bewustzijn niet de bron is, maar een later komende gast, of als een bloem die groeit uit een bodem die haar niet nodig had om te bestaan? Misschien is het vertrouwen dat voortkomt uit het inzicht dat alles verschijnt in iets onkwetsbaar, wellicht niet het diepste vertrouwen, maar slechts één soort vertrouwen. Een vertrouwen dat rust op ontbinding, op het wegvallen van vormen, op het wegvallen van grenzen. Maar er bestaat ook een ander vertrouwen, namelijk het vertrouwen dat de wereld werkelijk is, dat zij buiten ons bestaat, dat zij standhoudt ook wanneer wij haar niet zien. Een vertrouwen dat niet rust op leegte, maar op aanwezigheid. Niet op niets, maar op iets.
En misschien ligt het begin van het gesprek precies in de spanning tussen vertrouwen in het niets en vertrouwen in het iets. Want misschien hoeven we niet te kiezen. Misschien is de werkelijkheid groot genoeg om beide stemmen te dragen. De stem die zegt dat alles oplost in het nu, en de stem die zegt dat het nu slechts één laag is van een veel grotere werkelijkheid.
Misschien is de waarheid niet te vinden in het oplossen van de wereld, maar in het gesprek tussen wat oplost en wat blijft. Tussen wat verschijnt en wat draagt. Tussen het niets dat onkwetsbaar is en het iets dat kwetsbaar blijft, maar daarom zo intens werkelijk. Misschien, en wellicht mogelijk, ligt de werkelijke helderheid niet in het ene of het andere, maar in het vermogen om beide te zien zonder dat één van de twee hoeft te verdwijnen. En mogelijk is het juist in dat tegenlicht dat we leren zien dat elke zekerheid slechts een contour is, en dat de werkelijkheid zelf altijd net iets verder reikt dan onze begrippen kunnen volgen. In dat licht blijft er enkel een teder besef over, dat niet vraagt om woorden en toch blijft liggen als licht dat nergens vandaan komt. Misschien is dat wel genoeg, een laatste glimp van iets dat blijft, juist omdat het niets nodig heeft om te zijn.
... Hier volgt het Tegenlicht, een reflectieve tegenstem van mijn vorige beschouwing (Alles in niets).Het is geen stem die zegt dat iets onwaar is, maar een stem die zich afvraagt wat er gebeurt als we begrippen opnieuw interpreteren of conclusies anders bekijken. ...
Zie ook: http://levendgeheugen.blogspot.com
Schrijver: J.J.v.Verre
19 januari 2026
Geplaatst in de categorie: filosofie

Geef je reactie op deze inzending: