Trauma als breuk in de ziel.
Trauma is een landschap zonder horizon, een plek waar de tijd niet vooruit wil maar cirkels trekt, waar het lichaam blijft wonen in kamers die allang zijn ingestort. In die kamers woont een echo van een oude pijn, een onzichtbare last die telkens weer opnieuw opduikt, alsof je nooit echt kan ontsnappen, alsof je voortdurend in een draaikolk wordt meegevoerd, vastgehouden door onzichtbare muren. In die herhaalde cirkels, schuilt ook een kans: een moment waarop je, de echo een nieuw verhaal kunt geven, een ander spoor kunt bewandelen, voorbij die ingestorte kamers.
Het begint met een breuk, een beschadiging die niet alleen iets wegneemt maar ook iets achterlaat: een echo, een trilling, een web van gedachten dat telkens opnieuw scheurt. In dat web probeert een mens zich vast te houden, draden te spinnen die niet blijven zitten, telkens weer vallen, telkens weer schrikken. De grond verdwijnt onder de voeten en het lichaam reageert sneller dan het bewustzijn kan begrijpen. Onveiligheid wordt geen toestand maar een wereldbeeld, een manier van bestaan. Scannen, herkennen, op de hoede zijn, alsof elke seconde een nieuwe aanval kan brengen. Het verlangen om te verdwijnen, om even niet te hoeven voelen, wordt een fluistering die steeds harder klinkt. Stop, roept iets van binnen, maar het verleden kent geen stopknop. Het herhaalt zich, in dromen, in flitsen, in schaduwen die zich vastklampen aan het heden. Wat is echt, vraagt de geest, en wie ben ik nog in dit voortdurende herbeleven?
In die verwarring ontstaat een tweede strijd: het onbegrip met de buitenwereld. Je bent nu toch veilig, zeggen stemmen die het goed bedoelen maar de kloof niet zien. Nee, zegt het lichaam, ik zit nog gevangen. Mijn ziel zit nog daar, op de plek waar het gebeurde, waar de tijd bevroor. Vechten wordt een innerlijke beweging, schreeuwen een stille daad. Help mij, klinkt het, niet als wens om te verdwijnen maar als verlangen dat het lijden ophoudt. Wil ik dood? Nee, ik wil dat dit stopt. Ik wil voelen, maar niet zo. Ik wil mijn oude zelf weer ontmoeten, de versie van mij die nog niet in stukken is gevallen. Waar ben jij, vraagt de geest, en ergens diep vanbinnen antwoordt iets: ik zal je vinden. Verbinden wordt een werkwoord dat opnieuw geleerd moet worden, een verband dat niet vanzelf heelt maar met aandacht, tijd en moed opnieuw geknoopt moet worden.
Er groeit een wil om te leven, niet om te herbeleven. Een verlangen om de strijd in het hoofd te winnen, niet door te vechten tegen het verleden maar door ruimte te maken voor een toekomst die nog niet geschreven is. Ik wil kunnen gaan waar ik heen wil, zegt de innerlijke stem, ik wil kunnen zijn zonder dat mijn lichaam mij terugtrekt naar wat was. Vrij leven wordt een horizon die langzaam dichterbij komt, niet als belofte maar als mogelijkheid. Trauma blijft een litteken, maar niet langer een kooi. In de scheuren ontstaat licht, in de herhaling ontstaat inzicht, in de pijn ontstaat een nieuw soort kracht. En zo wordt de mens die ooit brak niet alleen iemand die overleeft, maar iemand die zichzelf opnieuw weeft, draad voor draad, adem voor adem, tot een vorm die vrijer is dan voorheen denkbaar was.
In de luwte tussen wat was en wat nog niet durft te zijn, ontdekt de mens dat zelfs stilte kan uitgroeien tot een plek waar nieuw licht leert spreken. Dat nieuwe licht toont zich eerst schuchter, als een aarzelende glans langs de rand van een oude wond, maar groeit uit tot een helderheid die niet langer om toestemming vraagt om te bestaan. Zo blijkt dat uit de diepste breuklijnen van het verleden een toekomst kan oplichten die niet langer door duisternis wordt bepaald. Zo leert de mens dat zelfs de diepste nacht slechts wacht op het moment dat het licht besluit om zichzelf te herinneren
Zie ook: http://levendgeheugen.blogspot.com
Schrijver: J.J.v.Verre
5 maart 2026
Geplaatst in de categorie: filosofie

Geef je reactie op deze inzending: