Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen

De gracieuze zwaan van Lichfield opgelicht

(voor Anna Seward (1742 - 1809))

Jij bent geboren op 12 december 1742 in het mijnwerkersdorp Eyam in Derbyshire. Jouw ouders waren Thomas Seward en Elizabeth Hunter. Jouw vader was een anglicaans geestelijke van Lichfield en Salisbury, schrijver en redacteur, geboren in 1708 in Londen en overleden op 4 maart 1790 in het Bishop's Palace in Lichfield. Na jou kwamen de kinderen John, Jane en Elizabeth, die op jonge leeftijd overleden. Er waren ook twee doodgeborenen. Jij rouwde om hun verlies in het gedicht 'Eyam' uit 1788. Jouw zus Sarah en jij woonden bijna jullie hele leven in het Peak District in de kathedraalstad Lichfield in Staffordshire. In 1749 werd jouw vader kanunnik in de schitterende kathedraal van Lichfield met drie torenspitsen. Jouw vader was ook directeur van de middelbare school van Lichfield. Jouw opa John Seward kwam uit Badsey en jouw opa John Hunter was een dominee. Vanaf 1749 woonden jullie in Lichfield en vanaf 1754 in het bisschoppelijk paleis in Lichfield uit 1687 en in de Queen Anne-stijl gebouwd, wat jullie huurden. Jouw vader kende de schrijver Samuel Johnson, die hij altijd in Lichfield vermaakte. In 1748 publiceerde jouw vader 'The Female Right to Literature, in a Letter to a young Lady from Florence' in 'Collection of Poems' van Robert Dodsley.

Samuel Johnson, geboren in Lichfield, was met Elizabeth Jervis getrouwd, die aan de alcohol en opiaatmedicijnen verslaafd was. Jouw vader heeft jou thuis in Bishop's Palace, Cathedral Close, opgevoed. In 1757 overleed Mrs. Sneyd, Susanna Cook, een vriendin van de familie. Haar dochter Honora Sneyd kwam bij jullie wonen en werd jouw geadopteerde pleegzus. Zij is in 1751 in Bath geboren en zij was ook een schrijfster. In 1771 ging zij naar het huis van haar vader Edward Sneyd terug. Met haar man, de schrijver/politicus Richard Lovell Edgeworth kreeg zij de kinderen Honora en Lovell. Zij overleed op 1 mei 1780 in Weston-under-Lizard door tuberculose. Zij is in de Weston Church begraven. Jouw zus Sarah overleed in 1764 door de tyfus en zij werd 19 jaar. Jij troostte jezelf met Honora, wat jij in jouw gedicht 'Visions' beschreef. Jullie deden mee met de gesprekken van David Garrick, Erasmus Darwin, James Boswell en Samuel Johnson in het Bishop's Palace. De lesbische schrijfster/historica Lillian Faderman was de eerste, die jouw relatie met Honora lesbisch noemde. Honora was kort verloofd met majoor John André, die op 2 oktober 1780 door het Continentale Leger in Tappan op bevel van George Washington vanwege spionage werd opgehangen. Hij werd 30 jaar. Jij was wanhopig toen Honora met Richard trouwde. Met de dichtregel 'Honora, shou'd that cruel time arrive' beschreef jij gevoelens van verraad. Toen zij met Richard naar Ierland verhuisde, was jij woedend en schreef jij 'Ingratitude, how deadly is your sorrow'.

In 1780 publiceerde jij jouw eerste gedicht. In 1781 schreef jij 'Monody on Major André'. Jij zorgde de laatste tien jaar van zijn leven voor jouw vader, die een beroerte had gekregen. Na zijn overlijden ontving jij 400 pond per jaar en bleef jij in het Bishop's Palace wonen. Jij zorgde ervoor dat er een monument voor jouw ouders in de kathedraal van Lichfield is opgericht, gemaakt door de beeldhouwer John Bacon. Jij was ook bevriend met Sir Walter Scott, Thomas Day, Francis Noel Clarke Mundy, Sir Brooke Boothby, 6th Baronet, Willie Newton en Mary Martha Sherwood. Thomas Day was met de schrijfster Esther Milnes getrouwd. Thomas overleed op 28 september 1789 in Barehill door een val van zijn paard. Hij werd 41 jaar en hij is in de St Mary's Church in Wargrave begraven, net als Esther, die in 1792 overleed en 40 jaar werd. Jij was beïnvloed door Thomas Sedgwick Whalley, William Hayley, Robert Southey, Helen Maria Williams, Hannah More en de Dames van Llangollen Eleanor Charlotte Butler en Sarah Ponsonby, die 50 jaar met elkaar samenwoonden. Al hun hinden heetten Sappho. Jij bezocht hen thuis in Plas Newydd te Llangollen. Jij was betrokken bij de Lunar Society van Birmingham, die soms bij jullie thuis bijeenkwam.

Jij correspondeerde o.a. met de pottenbakker/ondernemer Josiah Wedgwood en met Richard Lovell Edgeworth. Tussen 1775 en 1781 bezocht jij de salon van de dichteres/schrijfster Anna, Lady Miller (1741 - 1781) in Batheaston. Bij Anna werd jouw talent erkend en jij publiceerde in de poëtische jaarboeken van 1775, 1776, 1777 en 1781. Elizabeth Percy, hertogin van Northumberland (1716 - 1776) publiceerde daar ook in. Anna was met Sir John Riggs-Miller, 1st Baronet, getrouwd, met wie zij twee kinderen kreeg. Anna overleed op 24 juni 1781 in Hot Wells. Zij werd 39 of 40 jaar en zij is in de Abbey Church in Bath begraven. Haar grafschrift in verzen is door jou gecomponeerd. In 1782 verscheen jouw gedicht 'Poem to the Memory of Lady Miller'. Jij vermeed het huwelijk en de seksuele liefde als inferieur aan de gelijkheid en deugd van de Aristotelische vriendschap. Jij was bevriend met beide geslachten en jij zocht romantische relaties met vrouwen. In 1784 verscheen 'Louisa: a poetical novel, in four letters'. Jij schreef 39 brieven aan jouw denkbeeldige vriendin Emma. In 1804 verscheen 'Memoirs of the life of Dr. Darwin'. Jij werkte nauw samen met de Lichfield Botanical Society; Erasmus Darwin, Sir Brooke Boothby en John Jackson. Jij overleed op 25 maart 1809 in Lichfield. Jij werd 66 jaar en jouw ontzielde lichaam is onder het koorgestoelte in de Lichfield Cathedral begraven. Het grafschrift is door jouw vriend Sir Walter Scott geschreven. In de kathedraal is ook een eervolle plaquette voor jou.

De schrijfster Doris M. Isaac Grumbach (1918 - 2022) schreef over jou in haar roman 'The Ladies' uit 1984. Met Leonard Grumbach kreeg Doris vier dochters; Barbara, Jane, Elizabeth en Kathryn. Nadat zij Leonard verliet, begon zij een liefdesrelatie met de boekhandelaarster Sybil Pike, die ook vier kinderen had gekregen; Christopher, Susan, Carol Ann en Mary. 'The Ladies' gaat over twee 18-de eeuwse vrouwen, die ontsnappen aan repressieve, Ierse families en teruggetrokken minnaressen in Wales worden.


Sonnet 84: While one sere leaf, that parting Autumn yields

While one sere leaf, that parting Autumn yields,
Trembles upon the thin, and naked spray,
November, dragging on this sunless day,
Lours, cold and sullen, on the watery fields;
And Nature to the waste dominion yields,
Stripped her last robes, with gold and purple gay -
So droops my life, of your soft beams despoiled,
Youth, Health, and Hope, that long exulting smiled;
And the wild carols, and the bloomy hues
Of merry Spring-time, spruce on every plain
Her half-blown bushes, moist with sunny rain,
More pensive thoughts in my sunk heart infuse
Than Winter's grey, and desolate domain
Faded like my lost Youth, that no bright Spring renews.


Sonnet 91: On the fleet streams, the Sun, that late arose

On the fleet streams, the Sun, that late arose,
In amber radiance plays; the tall young grass
No foot hath bruised; clear morning, as I pass,
Breathes the pure gale, that on the blossom blows;
And, as with gold yon green hill's summit glows,
The lake inlays the vale with molten glass:
Now is the year's soft youth, yet one, alas!
Cheers not as it was wont; impending woes
Weigh on my heart; the joys, that once were mine,
Spring leads not back; and those that yet remain
Fade while she blooms. Each hour more lovely shine
Her crystal beams, and feed her floral train,
But oh with pale, and warring fires, decline
Those eyes, whose light my filial hopes sustain.


Sonnet X. To Honora Sneyd

HONORA, shou'd that cruel time arrive
When 'gainst my truth thou should'st my errors poize,
Scorning remembrance of our vanish'd joys:
When for the love-warm looks, in which I live,
But cold respect must greet me, that shall give
No tender glance, no kind regretful sighs;
When thou shalt pass me with averted eyes,
Feigning thou see'st me not, to sting, and grieve,
And sicken my sad heart, I cou'd not bear
Such dire eclipse of thy soul-cheering rays;
I cou'd not learn my struggling heart to tear
From thy lov'd form, that thro' my memory strays;
Nor in the pale horizon of Despair
Endure the wintry and the darken'd days.


Elegy

I write, Honora, on the sparkling sand!-
The envious waves forbid the trace to stay:
HONORA'S name again adorns the strand!
Again the waters bear their prize away!

So Nature wrote her charms upon thy face,
The cheek's light bloom, the lip's envermeil'd dye,
And every gay, and every witching grace,
That Youth's warm hours, and Beauty's stores supply.

But time's stern tide, with cold Oblivion's wave
Shall soon dissolve each fair, each fading charm,
E'en Nature's self, so powerful, cannot save
Her own rich gifts from this o'erwhelming harm.

Love and the Muse can boast superior power,
Indelible the letters they shall frame;
They yield to no inevitable hour,
But will on lasting tablets write thy name.


Sonnet VI

INVITATION TO A FRIEND.
Since dark December shrouds the transient day,
And stormy Winds are howling in their ire,
Why com'est not THOU, who always can'st inspire
The soul of cheerfulness, and best array
A sullen hour in smiles? - Of haste to pay
The cordial visit sullen hours require!
Around the circling Walls a glowing fire
Shines; - but it vainly shines in this delay
To blend thy spirit's warm Promethean light.
Come then, at Science, and at Friendship's call,
Their vow'd Disciple; - come; for they invite;
The social Powers without thee languish all.
Come, - that I may not hear the winds of night,
Nor count the heavy eve-drops as they fall!


Sonnet I

Ingratitude, - how deadly is thy smart,
Proceeding from the Form we fondly love!
How light, compar'd, all other sorrows prove!
Thou shed'st a night of woe, from whence depart
The gentle beams of patience, that the heart
'Mid lesser ills illume. - Thy Victims rove
Unquiet as the Ghost that haunts the grove
Where MURDER spilt the life-blood. - O! thy dart
Kills more than life, e'en all that makes it dear;
Till we the 'sensible of pain' wou'd change
For Phrenzy, that defies the bitter tear,
Or wish, in kindred callousness, to range
Where moon-ey'd IDIOCY, with fallen lip,
Drags the loose knee, and intermitting step.


Sonnet III

TO A YOUNG LADY IN AFFLICTION,
WHO THOUGHT SHE SHOULD NEVER MORE BE HAPPY;
WRITTEN ON THE SEA-SHORE.

Yes, thou shalt smile again! - Time always heals,
In Youth, the wounds of sorrow. - O! survey
Yon now subsided Deep, thro' night a prey
To warring winds, and to their furious peals
Surging tumultuous. - Yet, as in dismay,
The settling billows tremble - Morning steals
Grey on the rocks, and soon, to pour the day
From the streak'd east, the radiant Orb unveils,
In all his pride of light. - Thus shall the glow
Of beauty, health, and hope, by soft degrees
Spread o'er thy breast, - disperse these storms of woe:
Wake with soft Pleasure's sense, the wish to please,
Till from those eyes the wonted lustres flow,
Bright as the Sun, on calm, and crystal Seas.

Schrijver: Sir Joanan Rutgers
18 juni 2024


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 19



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je e-mailadres voor anderen in beeld verschijnt)