BLOEDPRIKKEN (WACHTKAMERS 3)
Ik zit in een wachtkamer voor mensen die bloed moeten laten prikken. Dat is op zichzelf al een bijzondere categorie. Je komt daar niet voor de gezelligheid. Niemand zegt: “Goh, zullen we vandaag eens lekker samen wat bloed laten aftappen?”
Er zijn vier kamers.
Drie daarvan werken met een nummertje, zoals bij de slager. Dat geeft houvast. Structuur. Een mens wil weten waar hij staat in het leven, en als dat niet kan, dan in ieder geval staan in de rij.
De vierde kamer is voor mensen met een afspraak. Dat klinkt chiquer dan het is. Je hebt dan geen nummertje, maar een e-mail. Of een printje. Dat maakt je niet belangrijker, maar je voelt je wel even zo.
Ik ga zitten in die wachtkamer.
In het begin is de sfeer goed. Er zit beweging in. Mensen worden opgeroepen. Stoelen komen vrij. Er is hoop.
Totdat iemand zegt: “Er is een kink in de kabel.”
Dat is zo’n zin die je nooit wilt horen in een medische omgeving.
Blijkt dat er maar twee prikkamers actief zijn. En dat er in één daarvan een half uur geleden een vrouw in een rolstoel naar binnen is gereden.
Sindsdien is er niets meer van vernomen.
De stemming kantelt.
Je ziet het gebeuren.
Mensen gaan rechter zitten. Zuchten iets nadrukkelijker. Er wordt op horloges gekeken door mensen die normaal gesproken nooit op hun horloge kijken.
“Het liep net zo lekker door,” zegt een man naast mij.
Dat is het eerste stadium van wachtkamerverdriet: nostalgie naar vijf minuten geleden.
“Ja,” zegt een vrouw tegenover hem, “maar dit loopt zo weer uit.”
Dat is het tweede stadium: voorspellen van onheil waar niemand iets aan kan doen.
Iemand anders mengt zich in het gesprek, hoewel niemand hem iets heeft gevraagd.
“Als je een afspraak hebt, mag je toch verwachten dat je op tijd aan de beurt bent.”
Dat klinkt redelijk, maar het wordt uitgesproken met de ondertoon van iemand die vindt dat de medische wereld zich beter aan zijn agenda moet aanpassen.
Er wordt geknikt.
Altijd dat knikken.
Alsof we met z’n allen een commissie vormen die straks een rapport gaat opstellen over het falen van de bloedafname-industrie.
“En dan zit daar iemand een half uur binnen,” zegt de man weer.
Niemand zegt het, maar iedereen denkt hetzelfde: wat doen ze daar?
Het idee dat er misschien gewoon medische zorg wordt verleend, komt niet in ons op. Nee, er moet iets mis zijn. Iets inefficiënts. Iets dat voorkomen had kunnen worden als iemand gewoon even had doorgewerkt.
Het gemopper zwelt aan.
Niet hard, maar constant.
Als een soort achtergrondmuziek van onvrede.
Dan word ik opgeroepen.
Ik loop naar binnen.
In de prikkamer zit een vrouw in een wit jasje. Ze ziet er gehaast uit. En een beetje verdrietig. Alsof ze al de hele ochtend probeert om het iedereen naar de zin te maken en daar langzaam op stukloopt.
Terwijl ik ga zitten hoor ik het nog steeds.
Het gemopper.
Gedempt, maar aanwezig.
Het sijpelt door de muren heen, de kamer in.
Alsof de wachtkamer zich niet laat opsluiten.
Ze bindt mijn arm af.
“Het is een beetje druk,” zegt ze.
Ik knik.
Ze prikt.
Eén buisje.
Nog een.
Ze werkt snel, maar voorzichtig.
Alsof ze weet dat ze beoordeeld wordt door een zaal mensen die haar nooit hebben gezien.
Bij het derde buisje zeg ik: “Sta er maar boven, joh.”
Ze kijkt even op.
Voor het eerst.
Ze glimlacht een beetje.
En knijpt me zachtjes in mijn arm.
Alsof ik degene ben die hier iets zwaars doormaakt.
Buiten gaat het gemopper door.
Het volume neemt toe. Maar misschien verbeeld ik mij dat...
26 maart 2026
Geplaatst in de categorie: algemeen

Geef je reactie op deze inzending: