Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen

Zelfdestructie om het leven te vieren

(voor André de Richaud (1907 - 1968))

Je bent geboren op 6 april 1907 in Perpignan, met de Cathédrale de Saint-Jean-Baptiste, voltooid door koning Sancho van Mallorca, die daar ook in begraven is. Hij overleed door een astma-aanval in Formiguères en hij werd 50 jaar. Op 18, rue Émile Zola staat het bijzonder herenhuis Hôtel Pams, wat enkel in september te bezichtigen is. Jouw vader, een geschiedenisleraar, werd in december 1914 in een oorlogsgevecht aan het front bij de Maas vermoord. Jouw moeder werd de minnares van een Duitse krijgsgevangene, waardoor jij getraumatiseerd raakte. Jouw moeder overleed in 1923. Je had nog een broer. Jij verkocht het ouderlijke huis in Althen-des-Paluds, wat je als kind in de brand had willen steken. Op de zolder stond nog een kist met manuscripten, die door de nieuwe eigenaar zijn verbrand. Na de verkoop verbraste je al het geld in de cafés van Avignon. Je begon als kind al te schrijven. Je ontdekte, dat woorden levende wezens zijn en leven in zich dragen, als eieren, en als je ze brak, verschenen er onvoorspelbare dingen.

Als middelbare scholier heeft een kleine uitgever jouw boek 'Comparses' uit 1924 uitgegeven. Jij vertelde jouw verhalen ook in de dorpscafés en onder de platanen. Jij ging naar het College de Carpentras en jij ontmoette Pierre Seghers, die jouw vriend en uitgever werd. Jij studeerde rechten en filosofie in Aix-en-Provence. Op jouw 20-ste schreef jij de autobiografische roman 'La Douleur', die Albert Camus sterk beïnvloedde. Hij las het in één nacht uit. In 1928 verscheen 'Vie de Saint Delteil' en in 1929 werd je hoogleraar in de filosofie. Je was bevriend met de dichter Joseph D'Arbaud en de dichter André Gaillard, die op 17 december 1929 in Marseille door een hersenbloeding overleed. Hij werd 31 jaar. In 1930 verschenen 'La Douleur' en 'La Création du monde'. 'La Douleur' verscheen bij uitgeverij Grasset en gaat over de jonge oorlogsweduwe Thérèse Delombre, die naar liefde en seksuele bevrediging snakt, haar zoontje Georges en de Duitse gevangene Otto, die twee jaar lang geen vrouw heeft aangeraakt. Jouw boek lijkt op 'Le diable au corps' van Raymond Ragiguet, wat tien jaar eerder bij Grasset verscheen. Jouw boek had meer impact en jij kreeg direct een algemene, literaire erkenning. Na de publicatie van 'La Douleur' ging je in Parijs wonen. In 1932 ging je in Parijs in militaire dienst.

In 1932 verschenen 'La Fontaine des lunatiques' en 'Le Village'. Jij leefde van het geld van jouw vrienden, vooral dat van Luis Buñuel en Fernand Léger. Jij leefde veertien jaar samen met de vrouw van Fernand Léger, de Normandische, uit Vernon afkomstige Jeanne-Augustine Lohy, die 14 jaar jonger dan Fernand was. Zij was op 2 december 1919 met Fernand getrouwd. Vanaf 1926 leefden Fernand en Jeanne meestal apart van elkaar. Ze hadden een extreem open huwelijk. Jij woonde met haar in Parijs en Normandië. Jij vertoefde bij de surrealisten rondom Raymond Queneau en Georges Bataille. In augustus 1934 had je een indrukwekkende reis naar Griekenland achter de rug en ontmoette je Jean Cocteau, Pablo Picasso en Antonin Artaud. Je was bevriend met Boris Vian, Jean Genet en Albert Camus. In de Tweede Wereldoorlog overleden jouw vriend Max Jacob en andere dierbaren. Jij woonde in een gemeubileerde hotelkamer aan 14, rue des Canettes. De eigenaren van dit hotel waren Céleste en Odilon Albaret, de vroegere dienstbode en chauffeur van Marcel Proust. Dit Hotel Elzas Lorraine werd later omgedoopt tot Hotel La Perle. Hun dochter Odile Albaret werkte ook in het hotel. Jij beschreef dit hoogst bijzondere echtpaar in 'L'étrange visiteur' uit 1956. Er zijn sprekende filmbeelden van Céleste uit 1962. Heel frappant dat diezelfde stem tegen Marcel Proust heeft gesproken. Dat raakt me diep. En jij hebt haar zelfs werkelijk gezien en gesproken.

In 1937 verscheen de dichtbundel 'Le Droit d'Asile'. Jij was vroeg oud door jouw leefstijl, die bol stond van de alcohol en drugs. Hongerig en vervuild bezocht jij soms de theaters van Saint-Germain-des-Prés. Zo zag je ook jouw eigen toneelstukken, als een verloederde clochard. Je betaalde jouw drankjes met gedichten en bladzijden van originele manuscripten. In 1950 overleed Jeanne Lohy en in 1952 hertrouwde Fernand met de schilderes Nadia Khodossievitch. Door de gulheid van jouw laatste vrienden ging jij nabij Nice wonen. In 1958 verhuisde jij met jouw vriendin Ginette Voiturin naar Vallauris en kort daarna ging jij naar een bejaardentehuis voor mannen in Vallauris, waarbij je over jouw leeftijd loog.

In 1965 begon je door de kleine uitgever Robert Morel opnieuw te schrijven. Nadat je in een krant jouw overlijdensbericht had gezien, schreef je 'Ik ben nog niet dood, welnee, veel erger!'. Alle vrienden van vroeger en nu kregen de volle laag. Je deed jezelf en anderen pijn door ronduit goudeerlijk alles te openbaren. Je werd herontdekt en in 1965 verscheen jouw laatste boek 'Je ne suis pas mort'. Je was bevriend met de schrijver/diplomaat Hippolyte Jean Giraudoux en de schrijver/acteur Jean Marais, de minnaar en muze van Jean Cocteau en de minnaar van de actrice Mila Parély. En je was bevriend met de symbolistische dichter Léon-Paul Fargue, een vriend van Marcel Proust, en Maurice Ravel. Jij overleed op 29 september 1968 in een ziekenhuis in Montpellier. Je had jezelf vernietigd en je was verlamd en arm. Maar volgens jezelf was je 'gelukkig omringd door vrienden, kinderen en honden.'. Je overleed door tuberculose, hernia en een spijsverteringsbloeding. Je werd 61 jaar en je bent begraven onder een steen met het familiewapen erop, een berenpoot. Je bent naast jouw moeder begraven, nabij het grote, beladen huis in Athen-des-Paluds.

Schrijver: Joanan Rutgers
16 apr. 2021


Geplaatst in de categorie: idool

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 33



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)