Inloggen
voeg je beschouwing toe

Beschouwingen

Een link met Martin Bril

Een link met Martin Bril

'Er schoot mij nu iets vreemds te binnen: de weg die ik had afgelegd naar dit bekende adres, was niet de route van mijn jeugd. Die voerde over Hardenberg, De Krim, en dan Coevorden in bij het spoor, met in de bocht het beroemde hotel Talens (waar ik tijdens de bruiloft van mijn lievelingsoom voor het eerst - en het laatst - achter een drumstel zat), over de Wilhelminasingel en de Van Heutszsingel (langs de gereformeerde kerk waar mijn oma na haar dood opgebaard zou liggen, haar dode gezicht te bekijken door een raampje in het deksel van haar kist), linksaf de Dr. Picardlaan op, lamngs de beroemde watertoren en het park en het hertenkamp, en dan rechtsaf naar de Van Goghstraat.'

Uit "Jongensjaren" (2010, Prometheus), Martin Bril

In hotel Talens was ooit het huwelijksfeest van mijn oudste broer en de oudere zus van mijn vriend Bert Bossanova. Het is hoogst curieus dat Martin Bril daar gedrumd heeft en wel voor het eerst als het laatst, zoals hij zegt, dus een unicum. Ik heb daar destijds natuurlijk niets van gemerkt en geweten, maar toch. Ik liep toen in een zwart, benedictijns habijt rond en ik had even verlof van het klooster in Egmond-Binnen gekregen, waar ik postulant was. Ik heb die dag, tijdens de huwelijksplechtigheid in de gereformeerde kerk aan de Van Heutszsingel nog op de preekstoel gestaan en een psalm voorgelezen. Ik weet nog hoe spannend ik dat vond, want ik stond even op de plek, waar mijn vader zo vaak vurig stond te preken en luidop stond te zingen. De hoogte van die plek deed me duizelen, maar ik was nog erg overtuigd van mijn roeping als monnik, dus sprak ik de woorden plechtig uit. Ik was wel een erg vreemde eend in dat calvinistische bolwerk. In Talens zag ik hoe Bert in de toiletruimte stond te huilen, alsof de band tussen hem en zijn zus voorgoed doorgeknipt zou worden. Of het familiefortuin aan de haaien werd gevoerd. Hij is later nog eens met zijn opgevoerde brommer over de kop gevlogen, wat hem een kunstgebit opleverde. Wanneer Martin de gereformeerde kerk noemt, doemt er van alles in mij omhoog, omdat ik daar vier jaar naast heb gewoond, in de gereformeerde pastorie. Ik ging/moest elke zondag één keer naar deze kerk, waar de verveling mij bij de strot greep. Vol ongeduld zat ik te wachten tot de laatste psalm of het laatste gezang gezongen werd. Hoezeer ben ik niet geplaagd door dat oorverdovende, afschrikwekkende en zwaar verdovende stemgeluid van die zingende gemeente, ondersteund door een even hard ingezet orgel, die alle zogenaamde en verzonnen zonden tracht weg te dreunen. Ik vond die hele poespas maar een nare, overdonderende kwelling, waardoor ik mijn verdriet over de hachelijke situatie moest onderdrukken. Ik zat meestal op de begane grond en dan zaten de hoge zijbalkonnen meestal bomvol en voelde ik al die loerende ogen op mij drukken. Ik durfde mij nauwelijks te verroeren, in de wetenschap dat iedere beweging geregistreerd en beoordeeld werd. Het bekende glazen stolpsyndroom van een domineesfamilie. Uit angst voor dat de zweetplekken onder mijn oksels zichtbaar werden, ging ik nog harder zweten. Bij het voorlezen van de Tien Geboden zakte ik vaak als een krom stukje ellende in elkaar. Ik schaamde me om van alles en nog wat. Ik trok mij alles wat er gezegd werd enorm aan. Alsof ik constant onder de loep van God lag en God mij met een pincet pijnlijk zat te ontleden. Ik dacht dat ik voor altijd weerloos zou zijn tegen die calvinistische dwangbuisellende. Als kind weet je nu eenmaal niet beter en heb je geen invloed op het volwassen terrorisme om je heen. Dus in die kerk heeft de oma van Martin opgebaard gelegen. Het kan maar zo zijn, dat mijn vader die begrafenis heeft geleid. Ik spreek over het midden van de jaren zeventig. In ieder geval ging Martin's oma dus bij de gereformeerde kerk aan de Van Heutszsingel ter kerke. Waarschijnlijk met de fiets vanuit de Van Goghstraat. Hoe vaak heb ik die kerkgangers niet vanuit de pastorie bespied en naar de kerk zien gaan, met hun serieuze gezichten en sommigen als vrolijke, opgedirkte siervogels. Het was net een muizenplaag, maar gelukkig trippelden ze de kerk met de wijdopen staande deuren in en niet de pastorie. De zijstraten, de Biezenbrugstraat en de Rabenhauptstraat, stonden dan vol auto's en de fietsenrekken achter ons huis puilden uit. Zelfs de Van Eijbergenstraat, wat verderop, stond vol auto's. In die straat woonde Wiebe, een schoolvriend. In die straat zagen we jaren later Aline Kaas terug. Ze had nog steeds van die rode appelwangen en enorm grote en zware borsten, die ik bijzonder aantrekkelijk vond. Vergeet niet dat ik ooit naast haar in haar bed heb gelegen en zij ooit voor mij op mijn bed zat. Al was ik dan nog veel te jong, de aanblik van haar goddelijke boezem maakte me knettergek van verlangen. Jongens nog aan toe, wat wilde ik die twee unieke bollen graag eens onderzoeken! En dan was er de mysterieuze Angelica, die in het eerste huis op de Rabenhauptstraat woonde en waar ik vanuit de pastorie naar kon kijken. Dat was nog eens wat anders, dan mijn verliefdheid op het schoolmeisje Fien Mont Blanc, die al door een schoolvriend was ingepikt of tenminste versierd. Door die onbereikbare liefde heb ik op de zolder van de pastorie mijn eerste gedicht geschreven. Vanuit het dakraam keek ik naar de voetbalwedstrijden, waar de koster naar zat te kijken, terwijl hij tevreden een pijp rookte en een biertje dronk. Het was een hele afstand, maar op die manier heb ik ook de filmreeks 'Centennial' gevolgd. Pas later normaal. Met Clay Basket, waar ik ook al weer verliefd op was. Op die zolder hoorde ik op mijn radio dat Elvis Presley was overleden. Ik was in shock. Ik had daar een kleine televisie, waarop ik Tatort-afleveringen keek. Het was ook de tijd van Kojak. De Van Heutszsingel was een drukke autoweg. Op een dag belde dominee Geert Bel bij ons aan en ging mijn vader naar de voordeur om met hem te praten. Onze witte poedel Pedro ontsnapte naar buiten, terwijl hij het niet gewend was om los te lopen. Hij vloog als een dolle hond over het gras voor de kerk en op een gegeven moment snelde hij de weg op en is hij overreden door iemand, die is doorgereden. Ik zal nooit vergeten hoe het leven ineens uit mijn intens geliefde hond was verdwenen en hij slap in de armen van mijn vader lag. God, wat haatte ik die dominee Bel, die zo nodig langs moest komen! Ik hield al niet van auto's, maar vanaf toen is mijn autohaat fundamenteel gegroeid en verankerd. Ik voel nog steeds dezelfde walging van die mobiele moordmachines, wanneer ik dode eenden en meerkoeten langs de weg zie liggen. Ik had Pedro vaak uitgelaten en een rondje met hem gelopen, altijd heel voorzichtig en met veel liefde en vreugde. Ik voel nog het uiteinde van de bruine, leren riem, die om mijn hand klemde. Ooit klom ik op het dak van de pastorie omhoog en keek ik vanaf de top naar beneden. Dat kunnen maar weinig mensen mij navertellen. De koster, die het zag, schrok zich het apezuur. Hij schrok ook, toen hij mij hoorde krijsen vanuit de achtertuin, toen mijn moeder mijn haar knipte. Dat haren laten knippen was wel een dingetje, want toen ik een keer van de kapper kwam, was het niet kort genoeg volgens mijn ouders, waarna ik terug ging en het heb laten kaalscheren, tot vermaak van de andere klanten. Ik was niet bang voor vernederingen. Pas later begreep ik dat daar een diepe depressie achter schuilde. En een soort woede op mijzelf. Die watertoren herinner ik me vaag en het Van Heutszpark met hertenkamp ook. Daar was ergens een tunnel, waar ik voor het eerst met een mollige meid getongzoend heb. Later probeerde ik in het zwembad haar slip naar beneden te trekken en zij die van mij geloof ik. Helemaal zeker ben ik daar niet van. Droom en werkelijkheid vervloeien steeds meer met elkaar. Ik heb een voorkeur voor het droomleven, altijd gehad. Net als Jozef en in dat lied 'Dreamer' van Supertramp. Ik kan beelden heel moeilijk loslaten. Zoals Martin bijvoorbeeld over het dode gezicht van zijn oma schrijft, zo met dat raampje in de kistdeksel. Zo'n beeld kan mij dan lange tijd blijven achtervolgen en gaan leven. Die oma kan dan ineens haar ogen gaan openen en gaan praten, of wanhopig worden en gaan gillen en het raampje met haar voorhoofd kapot beuken. Ze kan uit de kist breken en baldadig met de kist gaan gooien. Of er alle kerkgangers mee op hun hoofden slaan. Of er wieltjes onder maken en zo de Van Heutszsingel oprijden. Om alsnog platgereden te worden, zoals mijn hond. Of om eindeloos door te rijden en veel bizarre avonturen te beleven. Langs het huis van mijn vroegere schooldirecteur meester Bloem rijden, die ook in die doodkist wil rijden en Martin's oma eruit sleurt en in het hertenkamp slingert. Wat verderop gaat de Van Heutszsingel over het Stieltjeskanaal. Gek genoeg droomde ik daar nog wel eens van, dat ik dan ergens naar rechts ging/ga, waar een sportschool met een sportveld was/is, waar ik niet graag naartoe ging/ga. Of het was een vermenging met andere plekken in andere steden. In Kollum heeft de lagere schoolmeester mij eens tijdens de gymles in een ver gebouw weggestuurd of ik ben zelf weggelopen. Ik had en heb de pest aan sportregels en alle autoritaire regels. Ik weet nog hoe ik me onder de tafel bij de slager verstopte. Ik was ook bang voor die grote meneren met hun zotte, dwingende regels. De slager nam mij toen op schoot en hij zei, dat ik later net zulke behaarde armen als hem zou krijgen. Hij gaf mij geruststelling, zelfvertrouwen en steun. Die harige armen zijn er inderdaad gekomen. En al die onnodige, zinloze, walgelijke, oervervelende gevangenisdagen in bedompte, saaie, frustrerende schoollokalen met sadistische, machtswellustige en destructieve leraren zijn godzijdank allang achter de rug en overwonnen.

Schrijver: Joanan Rutgers
19 mei. 2021


Geplaatst in de categorie: geschiedenis

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 42



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)