Inloggen
voeg je verhaal toe

categorie:taal

< vorige | alles | volgende >

Laatst toegevoegde verhaal (nr. 46):

EZELSBRUGGETJE

In een dorp krijgen veel mensen snel een bijnaam en om eerlijk te wezen voordat je het in de gaten hebt doe je er ongemerkt aan mee. Sommige personen zijn gewoon hun bijnaam geworden. Dit ontstaat niet per se uit kwade wil maar meer, vanuit een soort van ‘ezelsbruggetje’.

Als er tien mensen Jan, Kees, Piet of Klaas heten in een kleine dorpsgemeenschap dan is een ezelsbruggetje immers vaak de snelste manier om iemand te duiden. In ons vorige dorp liepen er verscheidene rond met een bijnaam.
Jan, met z’n overdadig gevulde postuur, die in paarden handelde, met z’n eeuwige stofjas aan en die nergens zonder een sigaar werd gespot heette niet eens meer Jan, maar stond bekend als de ‘Bolknak’.
Kees, een oude veehandelaar, posteerde z’n wrakke half dode vee – wachtend op de slager of noodslager – naast ons in de wei. Toen we allochtone buren vroegen van wie dat vee was en hoe hij heette, werd er gezegd: ‘O, je bedoelt Kees Koe.’
Aan de andere kant van ons huis lag het land van een man die geiten fokte. Meerdere keren per jaar spoot hij z’n land vol met bestrijdingsmiddelen; wij noemden hem bij ons thuis Jantje DDT of Jantje Bayer.

Een heel stuk verderop woonde een boer die erg slecht voor z’n koeien en boerderij zorgde. Er werd later beslag op z’n stee gelegd nadat omwonenden meerdere malen hadden geklaagd. Hij werd bij ons bekend gemaakt als ‘de Buffel’. Ach waarom is mij niet duidelijk, maar het woord heeft een negatieve lading en dat zal de bedoeling zijn.

Ach, echt erg is het niet natuurlijk, het behoort tot de dorpscultuur en eigenlijk misschien tot cultuur van de mens in het algemeen, want in de steden kunnen ze er ook wat van, vooral in het criminele circuit. In een dorp kun je je kind niet Floris Jan, Beau, Pierre, Jean Louis, Ignatius of weet ik wat voor ongebruikelijke naam geven, dan maak je hem het leven onnodig moeilijk en krijgt het sowieso een bijnaam. Zelf stonden wij bekend als ‘die hondenmensen’ – niet echt erg, redelijk neutraal lijkt me. Maar ja, als er iets met een hond was, verdwaald of zo, dan werd je zomaar gevraagd om advies over wat te doen, terwijl ons telefoonnummer onbekend was. De geheime krachten van een dorp.

Trouwens dit is al met al een schandalig lange aanloop tot wat ik wil vertellen. Gisteren, was voorlopig even de laatste echt warme dag na Pinksteren en ik had de schuifpui op een kier – zo’n veertig centimeter – zodat ik en de honden makkelijk in en uit konden lopen. Komt mijn vrouw aanlopen: ‘Je moet even helpen, er zit een ‘Woutertje’ in de woonkamer, achter de lamellen. Hij moet eruit, straks schijt ie alles onder.’
‘Wie of wat is verdorie ‘een Woutertje?’ ‘Ach, je weet wel zo’n klein vogeltje.’ Het beestje is vermoedelijk naar binnengeglipt door de openstaande schuifpui. Ach ja, die beestjes merken dat we gek op ze zijn en worden dan soms iets te overmoedig en nieuwsgierig. Dus, alle deuren en ramen open, de honden naar buiten en de schuifpui op de meest wijde open stand en binnen een paar tellen was het beestje weer vrij. ‘Hè gelukkig, dat malle beestje, wat zal die gestrest wezen. Maar hoezo noem je die een Woutertje?’ Ik dacht in eerste instantie aan Wouter Bos en hield het dus op een roodborstje met z’n priemende oogjes.

‘Ach, ik kan die twee nooit uit elkaar houden: de pimpel– en de koolmees. Maar de koolmees heeft net als Wouter Koolmees altijd zo’n oersaaie zwarte das en lijkt me ook zo’n typische nietszeggende brave D66-er.

Schrijver: C.A. de Boer, 9 jun. 2020


Geplaatst in de categorie: taal

5,0 met 1 stemmen 178



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)