Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Bij een minnares in de biechtstoel (3)

Als een onhandige eend, naar de speelse miljonairsattraktie van het koele water. Al die kaarsen waren net stijve pikken en ik had het liefste zo'n vette waskaars zacht op en neer in jouw venusgrot laten glijden.
Er was een kamer, daar was het zo heet, dat het 'de couveuse' werd genoemd, een benaming die zeer terecht was, wel, je voorvoelt mijn perverse ideeën wellicht, hier hadden we zonder angst om kou te vatten onze kleren kunnen uitdoen en vol overgave de liefde kunnen bedrijven, daarna had ik me in de gloeiend hete wasketel gesmeten om als volmaakt klaargekomen waskaars verkocht te worden aan de Egyptenaren, om net als Jozef lekker koning te worden.
's Nachts droomde ik dat jij als een naakte koningin met mij in het zwembadje spartelde. Tijdens het afdrogen van je stijve tepels begon je dan van onderen zo te kronkelen, dat de oerwoudtijgers in ons wakker werden en ons neuken in alle drie Egmonden werd vernomen.
'In de provincie Noord-Holland heeft een onverklaarbare aardbeving plaatsgevonden' stond er de volgende dag in de nieuwsbladen, 'In de abdij van Egmond zijn honderden kaarsen gebroken.'

Belachelijke dromen, ik haatte mijzelf, wanneer ik 's ochtends weer in de metten zat. Op een ongezonde manier keerde ik in, meer en meer onbereikbaar voor mijn geestelijk leidsman, de bezorgde abt en mijn naïeve medebroeders, al waren ze achteraf gezien niet zulke doetjes als ik toen dacht.
Echte mietjes zaten er wel tussen, vernam ik later. Een oude broeder van in de tachtig zwom elke ochtend rond vijf uur in mijn geliefde zwembadje en vaak kwam ik op mijn nachtelijke zwerftochten door de 50.000 boeken tellende bibliotheek nog ergens in een afgelegen hoekje een grijze broeder tegen, zwijgend gebogen over een geheimzinnig boek. Soms zag ik nog een broeder in de boekenkluis, de zogenaamde 'Hel', omdat daar de verboden boeken in bewaard werden. God mag weten waarom ze dan bewaard werden en waarom ik er een broeder in betrapte met een vuurrood gezicht alsof hij zwaar gedronken had.
Ik had het zelf al moeilijk genoeg met mijn sexuele opwellingen, maar deze ervaringen maakten mijn kloosterbestaan nog angstiger, bedreigender, de doem van mijn vader, het vervloekte zwaard van Damocles.

Lieveling, ik moest me ergens aan vastklampen, ik moest ergens mijn dromen op richten, men sprak over 'de donkere nacht van de ziel' van Joannes van het Kruis en over 'waar God het meeste wordt gezocht, daar vallen de duivels het hardste aan' en ik begreep het maar al te goed en ik zat er middenin vast, als in een groot zuigend moeras.
Pas nu overzie ik waarom. In feite was dit klooster niet verschillend met de mensen buiten het klooster, zo had ik bijvoorbeeld een buurbroeder, die in stilte verliefd was op Ida Gerhardt en die dan ook openlijk veel van zijn kostbare tijd besteedde aan deze welzeker onbereikbare vrouw. Was zijn liefde voor Ida niet erotisch getint, maar puur geestelijk, dan nog zullen er onbewuste beelden van zijn liaison dangereux dwars door de stenen muur gesijpeld, gestraald zijn. Het astrale licht werkt geniaal en best wel grenzeloos.
Zou ik dan het brandpunt van de onbewuste verlangens van mijn medebroeders zijn geweest? Heb ik als overgevoelige helderziende al deze onbewuste beelden en beïnvloedingen niet kunnen verwerken? Was het mijn geboortehelm of het gat in mijn aura?
Mocht dit waar zijn, dan vervloek ik de dag dat ik ben ingetreden, hoe schitterend dit ook leek op dezelfde dag dat de abt werd gewijd door de bisschop van Haarlem. Toen ik die avond knielde voor Christus, wist ik immers nog niet dat ik in wezen knielde voor de Onbekende Christus in jou, voor het smachten naar de eenwording met jou, dit alles onder een zwart habijt, teken van mijn duisternis.
Niet dat ik Christus verloochende, maar Hij wees mij de weg naar jou. Overdag las ik Theresa van Avila en 's nachts las ik de erotische gedichten van bijvoorbeeld Jotie T'Hooft of Jan Jacob Slauerhoff. Ik raakte in een gigantische tweestrijd, het licht en de duisternis, het goede en het kwade leken in mij een slagveld te vinden.
Theresa zei: 'We komen hier om voor Christus te sterven en niet om onszelf voor Christus te verwennen.'
En Jan Jacob zei: 'Lieveling, schoner ben jij dan de heilige Foedsji, die maar één welvende sneeuwige top heeft, alleen bij het vroegrood één rozige spits toont.'
En ik was al gauw op de hand van Slauerhoff, daar de dichter in mij altijd, je kunt het niet zo gek bedenken, de boventoon voert. Ik droomde niet alleen van jouw zo keurig verpakte, parmantige borsten, maar ook de zo verboden borsten van de nonnen rondom spookten door mijn koortsige dromen. Ik hoef het niet te verbloemen, want God ziet immers alles, dus in wezen is alles al openbaar. Ik raakte overspoeld door de beelden van geile, opdringerige nonnen. De spaarzame vrouwen, die als gasten in het klooster vertoefden, werden via mijn ooghoeken nauwlettend in de gaten gehouden en niet om religieuze redenen, o nee, mijn hart bonkte als een razende bij het zien van een lichte welving van een goed verborgen borst of een bollend onderbeen. Soms was het echt feest voor mij, dan waren er jonge vrouwelijke gasten, die het niet zo nauw namen met hun kleding. Zo leerde ik uit een glimlach een doldwaze erotische scène herkennen. Soms wilde ik het liefste onder de rokken van mijn meter duiken, ondeugend doen, vooral onbezorgd ondeugend doen. Ik verlangde allang niet meer naar één vrouw, dat hield ik voor een stupide dwaasheid, van nature was ik een knotsgekke, polygame geilaard en daar schaamde ik mij niet voor, tenminste niet als ik droomde of zwaar aangeschoten was.

Schrijver: Joanan Rutgers, 11 jan. 2010


Geplaatst in de categorie: eenzaamheid

2,8 met 6 stemmen 575



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)