Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Klein huisje

Half juni dit jaar hebben we voor het eerst onze kleindochter Charlotte van twee jaar plus iets meer dan een maand meegenomen naar de jachthaven om haar kennis te laten maken met ons 8,5 meter lange kajuitzeilscheepje. Wat ons betreft een testje, bedoeld om vast te stellen hoe het peutermensje reageert op een voor haar nieuw fenomeen.

De zondag dat we haar rond de klok van elf uur bij onze hoogzwangere dochter en schoonzoon ophalen, is het redelijk weer. Geen zon, geen regen, maar iets er tussen in. Wanneer we de auto uitstappen om gauw nog even een praatje met ma en pa te maken, staat het hummeltje ons al in de voordeuropening op te wachten. “Óma”, roept ze mijn vrouw enthousiast tegemoet, “Lotte boot”. “Ja, wij gaan naar de boot”, antwoordt oma bevestigend. Op de tafel in de woonkamer liggen een gevuld geel rugzakje en een gloednieuw zwemvestje. Dochterlief maakt van haar hart geen moordkuil en drukt ons met klem op het hart, hoe-dan-ook voorzichtig te zijn en er in ieder geval voor te zorgen, dat haar eerstgeborene - OOK AL HEEFT ZE EEN ZWEMVESTJE OM PA! - niet overboord valt. We maken haar duidelijk, dat we waarschijnlijk alleen maar even naar de jachthaven gaan om de boot te laten zien en dat ze zich dus volledig ten onrechte allerlei puur hypothetische doem-scenario’s voor de geest haalt. Tijdens de staande receptie staat het kleine kind, stevig de hand van oma vasthoudend, het gesprek te volgen. Volgens mij begrijpt ze ondanks haar twee jaren precies waarover we het hebben, want op het moment, dat we zo’n beetje zijn uitgebabbeld, trekt ze mijn vrouw naar de tafel om toch vooral de rugzak met waarschijnlijk de wegwerpluier, het speentje met doekje en het zwemvestje niet te vergeten. Op weg naar de voordeur kijken we onze dochter en schoonzoon met een blik van “komt allemaal goed” ten afscheid aan.

Twintig minuten later zijn we bij de jachthaven, waar mijn vrouw met de sleutel voor het parkeerterrein de auto uitstapt. “Oma doen?”, vraagt het kleine kind belangstellend. “Hek opendoen”, antwoord ik. “Hek opendoen!”, klinkt de echo van schuin achter me. Terwijl ik zonder voor oma te stoppen het parkeerterrein oprijd, kijkt Charlotte met de nodige reserve achterom om te zien waar oma blijft. Ik parkeer ons autootje in een kolom vlakbij het clubhuis. Tegen de tijd, dat ik het kind uit de veiligheidsriemen van haar voor permanent gebruik op de achterbank aangebrachte kinderzitje heb bevrijd, staat oma alweer bij de auto. “Hoi oom”, klinkt opgelucht het hoge kinderstemmetje. “Hoi Lot”, antwoordt oom in stijl terug. “Tas mee; zwemvest mee”, klinkt het wanneer ik de deuren op slot en de achterklep omhoog heb gedaan. We volgen gedwee de peuterbevelen op en wandelen gedrieën het tegelpad naar de ingang van de haven af.

“Is dát?”, vraagt het stemmetje, waarvan de oogjes kijken naar het op de kop van de steiger aangebrachte pictogram van een octopus. “Een inktvis”, antwoord ik. “Inktvis”, klinkt begrijpend de echo terug. We lopen door en U begrijpt het al, alle pictogrammen, de krab, de zeehond, de vis enzovoort krijgen een beurt, tot we bij de dolfijn, onze steiger, gekomen zijn. Als ze het tegelpad verder uit wil lopen, leggen we uit, dat de dolfijn bij onze steiger hoort en dat we bijna bij de boot zijn. “Hoop boten”, brengt ze er op de steiger simpeltjes uit. Er zijn inderdaad weinig schepen weg uit de boxen. Waarschijnlijk omdat het seizoen nog jong en het weer nu niet bepaald om over naar huis te schrijven is. “Zo Lot”, zeg ik tegen ‘r als we bij ons scheepje zijn aangekomen, “we zijn er”.

Op het moment, dat ik met een reuzenstap via de preekstoel aan boord stap, gaat er een armpje om het bovenbeen van oma. Vastigheid zoekend voor wat zij instinctief aanvoelt als dat wat komen gaat, drukt ze zich, een vinger van haar vrije hand in haar mondje draaiend, stevig tegen dat levensgrote mensenbeen aan. Nadat ik het zwemvestje en het rugzakje heb aangepakt en aan dek gelegd, strek ik uitnodigend mijn armen uit om ons hummeltje aan boord te helpen. Ze ziet het even niet zitten en drukt zich nóg steviger tegen oma d’r been aan. Ik denk iets van de angst van het kind te begrijpen en loop naar het achterschip om de achterlijnen zover te vieren, dat de boeg tegen de steiger ligt. Om te laten zien hoe makkelijk het van en aan boord stappen nu is, geef ik een korte demonstratie. Dat helpt en zonder problemen landt kleindochter een paar tellen later met een sierlijke zwaai op het voordek. Over het gangboord lopen we naar de kuip, waar ik de kajuitdeur van slot doe om onze kleindochter een eerste blik in de kajuit te gunnen. Naar voren leunend kijkt ze vanaf het brugdekje geïnteresseerd rond. “Ga maar naar binnen”, zeg ik tegen ‘r, “maar achterstevoren het trappetje af.”

Nadat ze zich heeft omgedraaid en met haar poppe-handjes de handgrepen, die ter weerszijden van de kajuitopening zitten heeft vastgepakt, overbrugt ze soepeltjes het voor haar toch wel erg grote niveauverschil tot de kajuitvloer. Geïnteresseerd naar wat komen gaat, kijken mijn vrouw en ik vanuit de kajuitingang toe. “Kijk maar rond Lot”, zeg ik aanmoedigend tegen haar. Ze loopt de kajuit rond, bekijkt geboeid de voorpunt, snuffelt in de keukenkastjes en laat het gasfornuis schommelen. Dan opent ze de deur naar de achterkajuit, die ze terecht: “Slaapkamer” noemt, daarna de deur naar de toiletruimte en de inspectie is rond. “Klein huisje!”, is haar nogal verrassende conclusie. Wij knikken haar goedkeurend toe, want strikt genomen valt op die conclusie he-le-maal niets af te dingen. Nou ja, tenzij je zo’n stoffige Neerlandicus bent, die stelt, dat de conclusie zou moeten luiden: “Klein huis” óf “Huisje”.
En breng zoiets een meisje van twee maar eens aan d’r verstand.

Schrijver: Hans Uil, 18 jan. 2008


Geplaatst in de categorie: kinderen

2,7 met 12 stemmen 903



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)