Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Rimbaud te Harderwijk ( 1876 )

Hemelse harpen verschijnen boven het gelaat van de Franse outcast en heilige. Ik zag hem komen met de trein, vermoeid en smerige kleren. Tovenaars met hoge, gekleurde hoeden dansten om hem heen. Hun ogen keken vrolijk en zij herkenden elkaar.
Waarom de koning van de Noormannen zijn degen door zijn buik stak, het hing om hem heen, als een angstbeeld, hij liet het handvat steunen op een grijze kei, boven in de stellages hing een man, die even later de geest gaf, zoals honden dat doen. Ik dacht, hij is vrij, net als haar, die hij in de zilverbossen achterliet, maar die hij nooit vergat.
Kronkels van hitte zag ik, in zijn adem, mijn God, in zijn adem! Zo licht en zo betoverend als de zuiverheid van een vrome maagd. Hij hield zijn handen loom geopend, waarmee hij licht opving, zelfs uit de donkerste grotten. Een geur van hasj en drank liep mee in zijn kleren en het hield de kerkratten op afstand, de zomer in zijn hersens. Zijn handen deden de wijfjes sidderen van begeerte en allen openden hun intieme klapdeuren. Oerkrachten overspoelden hem. Bewust in het onbewuste, meester van de subtiele gevoelens. Spot niet met deze man, zijn ogen ontvlammen uw ziel. Krassen en roest ontsierden zijn rug van staal. Zijn benen stonden fier als de masten op een schip, bewogen soepel als de heupen van een Spaanse vrouw. Zijn duim lag op zijn wijsvinger, de pen dacht ik ertussenin en ik zag hem zenuwachtig wrijven. Zijn onderlip trilde, maar zijn neusvleugels stonden strak gespannen. Driftig snoof hij van de Hollandse lucht.
Hij keek voortdurend alsof hij iemand miste, het ontbrak hem aan zichzelf. De trein reed door richting Zwolle en Arthur volgde de troep nieuwe rekruten, die moeizaam langs de spoorlijn liep. Na enkele honderden meters bereikten zij de saaie, naargeestige kazerne. Hij nam het waar, hij deed er aan mee, maar hij lachte in zijn vuist, want zijn plan stond reeds vast. 's Nachts wandelde hij naar de kroegen in de binnenstad, een flinke tippel, langs brave huisjes en dikke bomen. Wie hem tegenkwam, aanschouwde een wonder, want bovenop zijn kosmische hoofd brandde een vlam. 'Niet blazen', zei hij dan, 'verwarm u liever!'.
Hij was ijl als de nachtlucht zelf. Zijn ogen glommen als de ogen van een waakzame panter. Heer Kosmos zwalkte fluitend voort. Later gooide hij met rabarberstengels naar besmettelijke angsthazen. Gealarmeerde burgers bekeken hem vol angst en afschuw, hun valse honden in de aanslag, wachtend op een moment van zwakte. Hij? Hij stoorde zich nergens aan, o ja, die kerken, dat zinde hem niet, dat was nog erger dan lariekoek, een farce, een gruwel. Soms, volgens lokale helderzienden, zag men de vage contouren van een man met een baard, pal naast hem. Men kon daar allicht niet weten, maar Verlaine had hem ergens niet verlaten. 'Kijk, die zot!', zeiden de nuchtere lieden, 'die praat tegen onzichtbare wezens!' en inderdaad, dat deed hij, als een volleerde sjamaan.
De uilskuikens! Ongelovigen! Kijk naar zijn droevige blik, zijn emoties worden opgegeten, zoals sprinkhanen al het groene leegplunderen. Zijn gedachten verdwenen als stormwater in het woestijnzand. God vult hem aan, keer op keer. Hij ging van kroeg naar kroeg en ladderzat pieste hij tegen de oude kerk. Een hoertje kneep hem in zijn billen, terwijl ze vrolijk doorliep met een versufte klant. Hij schold haar niet uit, nee, hij schold haar niet uit. Hij rook wijze vrouwen vanaf een grote afstand. Hun geesten zochten hem, als magneten, deze schaars ronddolende planeten van gelijke komaf. Neem nu die sterren rond zijn wenkbrauwen of die gele bloemen rond zijn tepels, men zag en huiverde. Onderin zijn gouden piramide liepen blauwe panters de wacht. De ogen van Mozes en de daden van David herleefden in hem. Hij kuierde nog een eind langs het IJsselmeer, rook de paling- en haringresten in bruine tonnen en hij ging terug naar de kazerne. Hij struikelde over een steen en hij bonkte met zijn voorhoofd op de klinkers. Een groot, wit licht knalde onder zijn schedeldak, raasde als een tornado langs zijn ruggengraat, neer en op. Het bloed stroomde naar zijn mondhoeken en hij proefde het met zijn verdoofde tong. In een sloot waste hij zijn gelaat, een poes genaakte hem en hij aaide haar.
Twee verdwaalden, twee godenkinderen. Errare humanum est. In een struik met scherpe takken zakte hij in elkaar. Hij dacht te gaan hemelen en tranen stroomden als lavastromen.
Hoog in de lucht ontwaarde hij Christus Jezus en Hij gaf hem nieuwe levenskracht. Hij wist de kazerne te bereiken en eenmaal in zijn brits droomde hij van de zwarte, stromende monding tussen de benen van die elastische tophoer, waar hij eerder die nacht in gezwommen, in ondergedoken had. Sneeuwklokjes groeiden uit zijn hart, voortaan zou hij een Sjamaan blijven, getooid met Licht. Diep geworteld, hoog gerezen. Geschreven, om niet te zijn, om niet te worden, wat is geschreven. Om anders ongeschreven te leven. Hij leeft ver voorbij de zichtbare sterren.

Schrijver: Joanan Rutgers, 9 feb. 2010


Geplaatst in de categorie: eenzaamheid

3,8 met 5 stemmen 320



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)