Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Jodenkuil

Dagelijks fiets ik door het Valtherbos naar de middelbare school in Emmen, het is ruim tien jaar na de oorlog. Sommige gebeurtenissen in mijn jeugd zijn in mijn ziel gebrand, deel van mijzelf geworden, deel van het skelet van de geest en mijn karaktervorming beïnvloed.

Een vriend en ik zoeken vertier in het Valtherbos, en komen per toeval bij een kuil waarvan ik niet weet wat het voorstelt, denk eerst dat het een bomkrater is zoals ik in een ander bos heb gezien. Later vertelt iemand dat het ‘de jodenkuil’ is.

In de oorlog hadden zich in een hol onder de grond veertien joden verborgen voor de Duitsers. Het hol is afgebroken en er resteert de kuil, niet ver verwijdert van de hunebed waar mijn vriend en ik onze fietsen hebben neergezet, er is van daaruit geen zichtbaar spoor naar de kuil toe, de eerste keer moet je er per toeval op stuiten.

Ik ben er alleen naar toe gegaan en kijk met andere ogen, de kuil is de stille getuige van vreselijke momenten uit recent verleden en moet voor de vernieling zes bij drie meter geweest zijn en misschien twee meter diep. Zittend aan de rand luister ik en zoek naar echo’s van het verleden, maar alleen mijn eigen emoties geven antwoord, doen pijn achter m`n borstbeen.

Ik kijk naar de bomen om me heen die het hebben meegemaakt, lijkt alsof ze zich naar mij buigen maar bij m`n vragen blijven ze onbewogen. Ze moeten sporen dragen van de doodsangst in hun schors, maar ik kan de tekens niet lezen, de geluiden niet verstaan als de wind er langs strijkt als langs orgelpijpen.

Ik ga er in de nacht naar toe om de sfeer en inzicht te krijgen in de angsten van de onderduikers, mijn moed zal op de proef gesteld worden. Ik fiets
‘s avonds naar de hunebed en verstop mijn fiets. Straks grijnst zo`n dooie hoofdman me aan zucht ik; ik probeer grappig te zijn om mezelf moed en tegenwoordigheid van geest te tonen. De granieten keien liggen hier vijfduizend jaar en hebben de komst van de beschaving en heel recent het ultieme kwaad gezien.

Ik sta midden in de kuil en de moed zakt mij in de schoenen. Natuurlijke angst voor ondoordringbare duisternis vol ongewone geluiden die we bij daglicht niet opmerken, maar nu versterkt worden en niet te duiden zijn. Wij mensen zijn bang voor de verschijnselen die we niet zien en niet begrijpen. Als het zien uitgeschakeld is, en we aangewezen zijn op het gehoor, veroorzaakt angst surrealistische interpretaties van geluiden, waardoor we niet zelden in paniek raken.

De maan komt door het grauwe wolkendek en verlicht de open plek. De bomen krijgen contouren, worden oude Germanen die zich naar mij voorover buigen, takken worden armen gestrekt naar de maan. Oerangst, de angst voor willekeur der goden, die ook de onderduikers hier gevoeld hebben, neemt bezit van mij. De paniek trekt vanuit m`n brein als een golf door mijn lichaam, ik sta te trillen op mijn benen, vluchten kan ik niet en met de kaken stijf op elkaar geklemd kan ik niet schreeuwen.

Angstgevoel, is de waarschuwing dat we gevaar lopen en maakt ons tegelijk slim en alert. Ik geef mijzelf een klap met de vlakke hand in mijn gezicht, ik schrik van het ongewone geluid in de nachtelijke duisternis. Er is hier niemand die mij kwaad doet, het enige kwaad ben ikzelf, bedenk ik, de nacht is slechts de schaduw van de aarde. Er is hier niets en wat er is, is bang voor mij. De maan verdwijnt en de dreigende boomgestalten lossen op in de bosrand die er nu uitziet als een egale zwarte muur en dat is niet minder dreigend.

Ik heb de grens van mijn emotie bereikt, als de kuil zou gaan spreken, ren ik weg en luister niet, ik zal het niet kunnen aanhoren. Als ik verhuis naar elders, neem ik de onverwoestbare herinnering mee.

Uit: Dorp aan het bruine water

Schrijver: Custor
Inzender: Janneke Koster Baas, 31 mei. 2010


Geplaatst in de categorie: oorlog

4,4 met 5 stemmen 426



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)