Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Verlengde verdoving

(voor Ernest Christopher Dowson (1867 - 1900))

Je bent geboren in het romantische dorpje Lee in het graafschap Kent, als kind snoof je de zoete geuren van de kleurrijke bloemen en je genoot van de grappige lammetjes in de wei. De landelijke kronkelwegen richting Londen betoverden jou met hun omliggende charme van keurig aangelegde tuinen met hoge omheiningen en de beroemde voorportalen als middeleeuwse poorten. Je was een schrander en tenger kind, die menige bloedknie opliep. Je verhuisde mee naar Oxford, waar je als tiener naar 'The Queen's College' ging, waar je ouders heel trots op waren, want zij waren van eenvoudige komaf en handarbeiders. De eerste jaren ging het allemaal van een leien dakje, je haalde hoge cijfers en daarnaast las je meer literatuur dan de professoren ooit deden. Door slaaptekort werd je concentratie minder, maar je had volop vrienden en vriendinnen, je vermaakte je opperbest, niets aan de hand. Toch begon je steeds meer alcohol te drinken op de georganiseerde feesten van je medestudenten en je voelde hoe je naar meer verlangde, naar meer roesverwekkende vergetelheid, al gauw was de zoemende verdoving van de alcohol je beste kameraad tijdens tegenslagen en verveling en meestal zonder reden. Je ging uit je bol op uitzinnige dansfeesten, je flirtte met de mooiste meiden, al tastte je niet toe, en op een heilige avond, zo vond je zelf, ontdekte je het zaligste roesmiddel, wat je ooit gebruikt had, namelijk de weeïg-inzoete hasjparadijzen. Je zag erotische dingen, die je niet voor mogelijk hield bij de meest lieve jongedames, tot in de kleinste, geile details zag je alles voor ogen, een wondermiddel, dé Graal. Ook tijdens je verblijf in Frankrijk had je er al kennis mee gemaakt, herinnerde je opeens, daar had je in een donkere steeg diezelfde geur geroken, terwijl een groepje jongemannen als geheime sekteleden langs je liepen, gierend van het lachen om niets, maar wel door iets en dat zou je grootste eyeopener worden, je grootste remedie tegen depressies, maar ook je grootste veroorzaker van diezelfde depressies, maar dan in uitvergrote vorm. Want hoe wonderbaarlijk ook de illusies, de werkelijkheid was daardoor des te wreder en killer. Je haalde je diploma niet, dus nam je vader je mee naar Oost-Londen, waar je opa een havenbedrijf was begonnen en waar je de handen uit de mouwen kon steken. Je lome blik verdween voor een tijd, maar je werd lid van de Rhymers 'Club, waar zelfs Oscar Wilde en W.B. Yeats kwamen en zodoende zat je al snel weer aan het duivelse vocht, je werd een liefhebber van absint, terwijl je op straat hasjwalmen produceerde. Ondertussen had je nog de energie om in tijdschriften te publiceren en je werkte samen met Arthur Moore aan twee romans, die een succes werden, dus kassa. Je liep in een dandy-outfit, een matrozenbroek, met een geshockte blik in je vertroebelde ogen en een ingevallen borstkas, alsof je het bijltje erbij neergooide, maar dat deed je niet, want je werd zelfs nog lid van de literaire kring rondom Aubrey Beardsley en off course Oscar Wilde, die graag met je onder de dekens kroop, ware het niet dat hij ene lord Alfred Douglas beminde. Gek genoeg werd jij verliefd op de elfjarige Adelaide Foltinowicz, de reine dochter van een Poolse restauranthouder. Een jaar daarna werd je verliefd op Manmohan Ghose, die je helemaal te gek vond en met wie je op de raarste plekken gevreeën hebt. Toen Adelaide negentien was, trouwde ze met een kleermaker, 'Krijg de kleren!', vloekte je, 'ordinaire verkrachters van ware liefde!'. Je was totaal kapotgemaakt en je hebt nog vaak stenen naar het woonvertrek boven het restaurant gegooid, het was het verborgen kind in jezelf wat je wilde beminnen, het had niets met haar te maken, je was al veel te psychotisch om dat te beseffen, maar toch. In 1894 overleed je vader aan tuberculose en in feite aan een overdosis chloralhydraat, dat je moeder ook gebruikte en een half jaar later heeft zij zichzelf opgehangen, waarna je nooit meer uit je chronische depressie kwam en alsmaar meer drugs en drank nodig had om het geestelijk vermorzelde kind in jezelf te onderdrukken. Je zwierf door Frankrijk en Ierland, van kroeg naar kroeg, vechtend met andere dronkaards, je roes uitslapend in de modder. De Hollandse dichter Albert Verwey trakteerde je op heerlijke maaltijden en betere wijnen, je vertaalde 'Majesteit' van de eveneens homofiele schrijver Couperus, toen je Albert in zijn kruis wilde grijpen, heeft hij je beleefd verzocht op te duvelen. Je ontving wat geld voor je vertalingen, Zola en Balzac, maar alles ging op aan de alcohol, je at nauwelijks en je had in vele steden schulden. Op je twee-en-dertigste zat je ladderzat in een wijnbar je laatste centen te tellen, toen ene Robert Sherard je mee naar zijn huis in Catford bracht, hij liet je douchen, gaf je schone kleren en flinke maaltijden. Hij schoor je lange baard zoals Turken dat zo minzaam doen. Hij kocht whisky voor je, want je kon niet meer zonder, dan trilde je hele lichaam als van de vallende ziekte. Na anderhalve maand stierf je door de tuberculose, net als je vader, zij het dat die veel minder aangetast was door de oceanen van alcohol, die jij tot je genomen had. Je hebt bijzonder decadent geleefd, maar wel vanuit een zeer armoedige uitvalhoek en trouwens, die zogenaamde decadentie was niets anders dan een wanhopige bedelstaf, gedrenkt in geestverruimende roesmiddelen, die je tot op het bot benauwden, overvoerden, verstikten, uitkotsten, uitschakelden.

Schrijver: Joanan Rutgers, 30 aug. 2011


Geplaatst in de categorie: literatuur

4,5 met 2 stemmen 69



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)