Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Kinderlijke onbevangenheid

(voor Guillaume Corneille Beverloo (1922 - 2010))

Je bent geboren in het gezellige Luik, waar de geur van warme wafels je neus prikkelde en waar je Nederlandse ouders je een vrije kindertijd bezorgden. Op je twaalfde ging je met hen naar Amsterdam, waar je na schooltijd graag wat op een stil plekje zat te tekenen. Op je achttiende nam je twee jaar kunstlessen aan de Amsterdamse Kunstacademie, je tekende en etste, terwijl de Duitsters in de straten marcheerden en het vrije Amsterdam aan het verpesten waren. Je leerde vooral jezelf schilderen, terwijl je je eerste naaktmodellen wist te overtuigen van je niveau, wat niet enkel op je schilderkwast van toepassing was, wat ze achteraf zeker beaamden. Eén jaar na de oorlog had je in Groningen je eerste expositie, waar velen je werk omarmden. Je was zo blij, dat je het vierde in de hoerenbuurt, want als onvervalste vrouwengek had je altijd behoefte aan nieuwe landschappen. Je werd beïnvloed door het werk van Picasso, maar daar kwam een einde aan toen je met Karel Appel naar Parijs ging en je samen met hem en Constant Nieuwenhuis de CoBrA-beweging oprichtte. Later voegden internationale kunstenaars zich daarbij. Karel bleef tot aan zijn overlijden je trouwe vriend, waar er bij jou naakte vrouwen, vogels en katten, zichtbaar zijn, is er bij hem nauwelijks iets te herkennen, maar jij begreep hem wel. Je vestigde je voorgoed in Parijs, waar je een ruim atelier bewoonde en waar je hard aan de slag ging en waar je nauwelijks andere mensen duldde, omdat die je heilige der heiligen maar zouden bezoedelen, je was allergisch voor negatieve invloeden, hoe minimaal ook, maar aan de andere kant ging je er graag op uit en reisde je naar verre landen, Tunesië en de Marokkaanse Sahara, Hongarije, Zweden en Denemarken. Volgens jou werd CoBrA na drie jaar opgeheven en dat hinderde je niet, integendeel, je hield van je solistische bestaan en je ontwikkelde je knallende kleuren, naïeve voorstellingen met verblijdende uitstralingen. Rond je veertigste maakte je weer figuratieve kunst met veelal zwoele, naakte vrouwen, die bemind worden door tropische vogels en vervormde katten. Daarbij ging je opnieuw wijn lezen in Midden-Afrika, waar je vele authentieke beelden kocht, die je naar je atelier sleepte, als een kind geloofde je in hun spirituele inspiratiekrachten. Je reisde naar Amerika en Zuid-Amerika en de Antillen, waar je met name de vrouwen bespiedde, hun rondingen begluurde en soms voor weinig geld hen uit de kleren kreeg, terwijl ze toch al schaars gekleed waren. Je had een voorkeur voor dicht bij de natuur levende vrouwen, omdat die de paradijsvrouwen het beste genaakten, in hen ging je vol vertrouwen het liefste tekeer. Je moest in vorm blijven, want dat zou het energieke op je doeken intact houden. Op 'Naakt en vogel' heeft een vogel seks met een zwartharige vrouw in volle overgave, waarbij haar zwarte schaamheuvel vervloeit met de vleugels van het geile dier. Ook op 'Vrouw en vogel' wordt duidelijk dat je een groot liefhebber van grote, stevige borsten was en op 'De blauwe chaise-longue' schilderde je twee naakte vrouwen met lesbische verlangens, alles kinderlijk spontaan en primitief eerlijk. Omringd door je honderden Afrikaanse beelden nipte je van de cognac en breidde je kunstimperium uit met sierlijke beelden van gemixte dieren, bruisend van de vitaliteit en de levenslust. In 1990 schilderde je de bloedmooie, exotische Tamara, die je zo heerlijk schilderde, dat iedere man er direct op wilde duiken! alles boller dan bol en de stijve tepelhoven weerspiegeld in de ronde blossen op de wangen, exorbitant genotvol. Wij willen niet weten of je met haar gevreeën hebt, want we zouden maar stinkend jaloers worden. Je trouwde, maar je gezin leefde in de schaduw van je geniale grootsheid, deels bewust, daar ze al die publiciteit schuwden, maar ook omdat je zelfs voor hen onbegrepen bleef, wat nog versterkt werd door je depressies, die steeds meer de kop opstaken. Je zonderde je af in het Maison du Cedres te Val-d'Oise, waar zelfs de drank je niet meer opbeurde. Je werd commercieel, wat je vijandschap opleverde, mensen die gruwelden van je stropdassen, bekers, serviesgoed, pennen, wijnetiketten, horloges en beddenhoezen. Je verlaagde jezelf echt niet, vond jij, het verhoogde enkel de verspreiding van jouw kunstuitingen. Kwade tongen beweerden dat je familie geld van je wilde en je daarom in een psychiatrische inrichting lieten opsluiten, maar ook al had je geld over de balk gegooid, er was nog genoeg over en je leed wel degelijk aan manische depressiviteit met schizofrene raakvlakken, net als Van Gogh. Je was opgeknapt en wel aanwezig bij een expositie in Amstelveen en je doorstond de rechtbankperikelen over je in twijfel getrokken toerekeningsvatbaarheid inzake financiële kwesties. Je maakte nog enkele kunstzinnige olifanten, buitengewoon aardige dikhuiden, net als jij, en na je overlijden werd je op eigen verzoek op de begraafplaats te Auvers-sur-Oise begraven, waar je geestesvriend Vincent van Gogh ook begraven is, wiens leven en werk je zozeer gesterkt had om door te zetten en zie aan, zelfs erotiserende driehoogachterhuisvrouwen weten inmiddels wat jij maakte. In hun speelse dromen schilder jij hen en ren je opgewonden en piemelnaakt achter hen aan.

Schrijver: Joanan Rutgers, 24 nov. 2011


Geplaatst in de categorie: literatuur

4,3 met 3 stemmen 95



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)