Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Welvaartsstaa(r)t

Gisteren met de honden naar het Blauwe Bos. Even kijken of een wandeling er tot de mogelijkheden behoort. Inderdaad als je op het hoofdpad blijft, is het goed te doen. Ze hebben de sneeuw een beetje aan de kant geschoven, vermoedelijk ook om te voorkomen dat het met de eind deze week snel invallende dooi een grote modderpoel zal gaan worden.
Wat leven we eigenlijk toch in een welvaartsstaat bedacht ik. Zelfs een zandpad wordt goed verzorgd. Halverwege het pad kun je om het heideveld lopen weer terug richting parkeerplaats. Ze hebben daar een bankje neergezet om een poosje te rusten of gewoon om even alles overziend te genieten van de natuur.

Van veraf had ik er al iemand zien zitten. Het leek me niet echt weer om nu te gaan zitten genieten – te koud. Je kunt beter in beweging blijven. Maar goed, ieder zijn keus. Dichterbij komend meende ik die persoon te herkennen. Ja hoor, het was Johnny van de afdeling klantenservice. Niet dat ik veel contact met hem had, maar ik had wel gehoord dat hij destijds, vlak na mijn afscheid, gebruik had gemaakt van een regeling om met financiële ondersteuning de dienst te verlaten. Hij was met een klein snackbar/cafeetje begonnen. Het had enige tijd geduurd, maar van horen zeggen leek het goed te gaan. ‘Hoi. Jij hier John, zo ver van huis? Alles goed jongen. ‘Ja hoor, zoals je ziet gaat het prima,’ zei hij op een cynische toon. ‘Maar jij woonde toch in de stad?’ ‘Klopt, maar ik ben hier een paar dorpen verderop gaan wonen. Minder concurrentie en betere mogelijkheden een vaste klantenkring op te bouwen.’
‘En lukt het een beetje?’ ‘Nou, ik had niks te klagen, maar Corona gooide roet in het eten. En als ZZP-er heb je eigenlijk nergens recht op – weinig tot geen ondersteuning. En als je het wel kunt krijgen duurt het te lang voordat je het daadwerkelijk krijgt. Althans voor mij.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Nou, de mensen houden de vingers nu op de knip en de klandizie bleef, door dat gedoe van al die maatregelen, gedwongen weg. Ik had nog geen echt grote reserves opgebouwd en kon alles net een beetje draaiende houden. Maar je weet hoe dat soms gaat – de vrouw vertrekt ontevreden, jengelende kinderen, te weinig inkomsten, uiteindelijk beslaglegging door schuldeisers, doordat die ellendige coronamaatregelen maar voortduren. Dus zodoende ben ik nu alles kwijt – zelfs m’n auto.’
‘En je vrouw en kinderen dan?’
‘Die verblijven bij schoonmoeder, die hebben gelukkig een dak boven hun hoofd. Schoonmoe wil mij er niet bij hebben, ze heeft me nooit gemogen. Je weet wel zo’n type dat haar kind het liefst met een arts of directeur of iets dergelijks thuis had zien komen.’
‘En je eigen familie dan?’
‘De meesten wonen in het westen van het land en hebben ook niet te veel ruimte over. Dus blijf ik hier maar rondhangen, kan ik af en toe de kinderen nog eens zien. Met een bijstandsuitkering kan ik geen huurhuis betalen en kinderen onderhouden. Dus nu slaap ik wisselend bij diverse kennissen in de buurt, maar overdag wil ik ze niet tot last zijn.’
‘Jeetje John, wat erg! Kan ik iets voor je betekenen?’
‘Nou, nee hoor, zoals gezegd, ik heb ‘s nachts onderdak en voor de rest wil ik ook het liefst met rust gelaten worden. Snap je, me even over alles bezinnen – even de balans opmaken en kijken hoe het verder moet. Geloof me, het komt wel weer goed. Er sudderen alweer wat ideetjes. Lezingen geven in crisismanagement als ervaringsdeskundige, voor na het coronatijdperk – succes verzekerd. Of misschien een rijdende patatkraam of zoiets.’

Hij pakte z’n opgerolde slaapzak en z’n rugzak met wat reservekleding en stond op en smeet het klokhuis van de afgekloven appel in de bosjes.
‘Goh, dat zijn prachtige honden, die je daar hebt - zien er goed verzorgd uit en zijn mooi op gewicht.’
‘Hoe weet je dat?’ Ik reken nu op een of andere malle, soms niet helemaal te plaatsen opmerking, waar John altijd het patent op heeft.
‘Nou, dat kun je zien aan hun staarten.’
‘Aan de staarten?’ ‘Ja, het zijn, zo te zien, duidelijk van die goed gevulde dikke welvaartsstaarten.’

Typisch Johnny. Weer zo’n opmerking, waarvan je denkt: ‘wat moet ik ermee’. Hij was ondanks alles dus niks veranderd. Ik bood hem aan om mee te gaan voor een hapje eten, maar nee dat wilde hij niet. Voor de zekerheid gaf ik hem mijn 06 nummer. ‘Nee joh, ik red me wel – echt, maak je geen zorgen.’
Hij zwaaide nog even en riep: ‘Wie weet tot ziens!’
‘Dag John, hou je haaks.’ Johnny de eeuwige ras optimist gaat het met de tijd wel redden – weet ik zeker. Maar hij zette me toch even aan het denken. Verdorie het is inderdaad een gekke wereld. Mijn honden hebben een hemeltje op aarde en hoeven er weinig of niets voor te doen en hebben het beter dan menig dakloze of sommige minima. En John die altijd zijn best probeerde te doen krijgt geen tot weinig hulp. Grote tegenstellingen toch, die blijkbaar nu eenmaal horen bij een ‘welvaartsstaat’.

Misschien dat het woord het goed omschrijft: we bevinden ons in een staat die ‘wel’ vaart, maar niet altijd precies de juiste koers aan houdt. De honden keken mij aan terwijl ik John nog even na keek; ik zag ze kwispelen, ze hielden het hier voor gezien.

Schrijver: catrinus
Inzender: C.A. de Boer, 17 feb. 2021


Geplaatst in de categorie: actualiteit

4,0 met 2 stemmen 78



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)