Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Conservatieve demonen

Aan de Rue de la Grotte in het schone dorpje Bohan langs de Semois ligt het idyllische huis van de lesbische geliefden Gwenaëlle de Gramont en Clémence Blanchet. De voortuin staat vol wilde, bloeiende, kleurrijke bloemen en in het midden staat een marmeren beeld van een sierlijke, naakte jongedame, die haar armen naar de hemel strekt. Gwenaëlle en Clémence zijn dolgelukkig met elkaar. Zij werken al jaren in hun Cafe Des Ardennes op de Place Henri de la Lindi 33, wat zeer goed loopt en waar zij geregeld bijzondere feestavonden organiseren. Onlangs was er een Maria-feestavond en bezochten ze de nabijgelegen, nagemaakte Lourdes-grot, waar Gwenaëlle een zelfgemaakt liedje over Bernadette Soubirous zong, terwijl Clémence de gitaar bespeelde. De feestvierders bezochten ook de kapel in Bohan, waar Maria aan twee mensen is verschenen. Één van de gelukvogels, ene Leon Theunis, vertelde hen wat hij precies gezien en gevoeld heeft. Terug in het café werden er overal kaarsjes aangestoken en werden de kelen flink gesmeerd. In een donker hoekje zat de juwelier Gregoire Guillot, een vroom katholiek en dik bevriend met meneer pastoor Jacques Cruel. Gregoire gruwelde van wat hij allemaal meemaakte en hij hield een lijst van blasfemie en goddeloosheid bij. Toen Clémence een komische seance uitvoerde om Maria te laten verschijnen, ging de onwel geworden Gregoire er als een bange haas vandoor. Hij had niet door dat het allemaal maar scherts was en hij heeft pastoor Cruel meteen ingelicht. Die vermaande hem om nooit meer naar dat hol van de duivel te gaan, wat Gregoire wel beloofde, maar niet deed.

De dagen daarna gistte het in de duistere krochten van Gregoire, de demonen vermenigvuldigden zich in zijn haatdragende, hoogmoedige en rottende binnenste. Hij kwam in de ban van zijn zelf gecreëerde hellesferen. Door het kwaad overmeesterd, glipte hij als een gifslang langs het nachtelijke huis van Gwenaëlle en Clémence. 'Naast die Maria-hekserij leven die twee vrouwen in doodzonde!', denkt hij, 'in de naam van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest moet ik een daad stellen!'. Via de keukendeur glipt hij naar binnen en in de gang loopt hij Clémence tegen het lijf. Clémence blijft hevig geschrokken stokstijf staan en weet geen woord uit te kramen. Gregoire steekt een groot mes in haar hart en met een duivels genoegen ziet hij hoe zij op de vloer valt. Hij is allang weg wanneer Gwenaëlle de hevig bloedende Clémence vindt. Gwenaëlle ontdekt al snel dat haar diepbeminde Clémence niet meer in haar aardse lichaam leeft en zij krijst aan één stuk door. De oude buurman Pascal ontfermt zich over de ontroostbare Gwenaëlle en hij belt de politie. Wanneer de politie aan Gwenaëlle vraagt, of Clémence misschien vijanden had, staart zij katatonisch voor zich uit en schudt zij in superslowmotion haar beeldschone hoofd. Gwenaëlle's zus Charlotte komt zich over haar ontfermen en zij vreest het ergste voor haar zus, die in het verre verleden al zoveel ellende heeft meegemaakt, maar dit slaat werkelijk alles kapot. De kalmeringsmiddelen slaan niet aan en intense hysterie-aanvallen wisselen zich af met hoogst zorgwekkende, depressieve inzinkingen. Zij eet nog nauwelijks iets. Zij slurpt haar borrelglaasjes leeg en met trillende handen rookt zij haar Belinda's. Charlotte blijft zoveel mogelijk hoopgevend op haar in praten.

Na drie maanden van leegstand wordt het Cafe Des Ardennes te koop gezet. Gwenaëlle kijkt er niet meer naar om en Charlotte doet de verkoopzaken. Op een avond gaan de zussen samen naar de kapel, waar Maria is verschenen. Na een kwartier van stil samenzijn schreeuwt Gwenaëlle het ineens uit: 'Zus, ik zie Maria! Het is mijn allerliefste Clémence! Clémence is Maria! O, zus, ik ben zo gelukkig! Zie jij haar ook?'. 'Rustig maar, Gwena, het komt allemaal goed, ik ben bij je!', zegt Charlotte. 'Maar dit is juist schitterend, mijn lieve zus, zie jij haar ook?', vraagt Gwenaëlle nogmaals. 'Ja-ja, lieve zus, ik zie haar ook en het is inderdaad schitterend!', zegt Charlotte dan maar. 'O, ik wil dat dit nooit meer voorbij gaat!', zegt Gwenaëlle vanuit het diepst van haar zo vreselijk gekwetste, vermoorde ziel. Diep bedroefd en ondersteund door Charlotte verlaat Gwenaëlle de wonderkapel. Ter hoogte van de Église Saint-Léger uit 1760 aan Place Henri de la Lindi kruisen de nietsvermoedende dames pastoor Cruel en zijn vriend Gregoire Guillot. De pastoor geeft Gregoire een stomp en dwingt hem om wat verder om Gwenaëlle en haar zus heen te lopen. 'God straft altijd rechtvaardig!', bromt hij tegen Gregoire, 'en van dat vervloekte duivelshol zijn wij ook af!'. 'Van die duivelin daar is maar weinig meer over, kijk eens hoe aandoenlijk, dat hoopje ellende!', reageert Gregoire. 'Niet kijken, mijn beste, dat brengt alleen maar ongeluk!', mekkert de pastoor nog. Toch kijkt de smerige moordenaar nog één keer en grijnst hij satanisch opgelucht, omdat hij weet, dat de politie op dood spoor zit.

Zodra Charlotte denkt dat Gwenaëlle wel weer op zichzelf kan gaan wonen en leven, neemt zij de trein naar haar herenhuis in Brussel, al belooft zij direct terug te komen, wanneer het toch niet gaat. Nadat het twee weken goed met Gwenaëlle lijkt te gaan, verlaat zij op een avond haar huis in Bohan en gaat zij naar het dorpje Sugny. Zij wandelt wat door de straten en rond elf uur 's avonds gaat zij op het grasveld voor de Église Saint-Martin uit 1863 zitten. Er zijn wel wat mensen, die haar daar zien zitten, maar niemand vermoedt dat er iets ernstigs staat te gebeuren. Niemand heeft dan ook gezien hoe de zwaargebroken Gwenaëlle zichzelf met benzine heeft overgoten. Gwenaëlle wacht tot er niemand meer in de buurt loopt. Zij steekt een sigaret aan en na één klein trekje vliegt zij vliegensvlug in de fik. De kerktoren zou de tragische vlammenzee kunnen doven, maar ook dat gebeurt niet. Een aansnellende man met een lange jas komt veel te laat en wat rest is grote verbijstering van de zich verzamelende omstanders. Zodra Charlotte door de politie wordt gebeld en zij het tragische lot van haar zus verneemt, beseft zij hoe alle zielewonden in Gwenaëlle door de moord op haar intens geliefde vrouw Clémence zijn opengescheurd. Met een diepe schok herinnert Charlotte zich hoe Gwenaëlle als tienermeisje door pastoor Georges de Moulins-Beaufort vele malen seksueel is misbruikt, waardoor zij jarenlang in een psychiatrisch ziekenhuis verpleegd moest worden. Die Georges was destijds pastoor van de Église Saint-Martin in Sugny en hij heeft alles ontkend. Inmiddels is hij aartsbisschop.

Schrijver: Sir Joanan Rutgers
21 juni 2022


Geplaatst in de categorie: misdaad

5.0 met 1 stemmen 19



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)