Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Strandman

Als ik goed kijk, zie ik hem staan. Zie ik de rijzige gestalte van de sterke man zomaar voor me opdoemen. Als ik over het strand wandel volgen zijn voeten me. Hoor ik de zandkorrels zachtjes knisperen onder zijn zware schoenen. Als ik in de duinen vrij met een prachtig meisje, priemen zijn ogen me in mijn rug. Dit stukje strand is van hem. Dit is zijn terrein. Hij houdt de wacht. Ik ben de enige die hem kan zien. Ik heb geprobeerd tegen hem te praten. Hij zweeg tegen de wind in. Hij praat niet met stervelingen. Alleen het water is zijn vriend. De wind. Het zand. Hij dirigeert de golven. Laat de wind zo hard brullen dat het zand wild opwaait en de schepen voor de kust stuurloos een verkeerde koers varen. Op zomerse dagen zie ik hem genieten van topless meisjes. Sterveling of niet, hij blijft een man. Maar als hij genoeg heeft van roodverbrande borstjes, laat hij het strand leeglopen met donder en bliksem, met regen en wind. Ze zeggen dat hij dood is. Dat hij de zee ingelopen is. Verdronken op een donderdagmorgen in mei. Niemand is op zijn begrafenis geweest. De lege kist verdween moederziel alleen in moeder aarde. Niemand kende hem, dus niemand huilde. Ik heb een boot gehuurd, ben de zee opgegaan, strooide bloemen op zijn golven. “En in een één, twee, drie in Godsnaam”, gilde ik tegen zijn wind. Ik gooide een handje van zijn zand in zijn water. De golven speelden plechtig het Adagietto uit de vijfde symfonie van Gustav Mahler. Een emotionele gebeurtenis. Ik draaide om naar de kust. Een stipje in de verte onderbrak de strakke kustlijn. Toen ik de kust bereikte zag ik dat hij het was. Hij, de rijzige gestalte met de zware schoenen. Ik stapte uit mijn boot en keek in zijn gezicht. Oceanen en eilanden zijn erop getekend. Ruw wit haar maskeert als een aureool de zeekaart. Hij keek me aan met zeeblauwe ogen, legde zijn hand op mijn schouder. Verdween zoals hij verschenen was, in het niets. Hij is niet dood. Ik loop iedere dag over het strand. Iedere dag zie ik hem staan. Hij zweept de golven op. Laat eb in vloed veranderen. Ik ga iedere dag naar zijn huis. Ik zie de zware schoenen op de deurmat staan maar binnen is een souvenirwinkel. Ze hebben zijn woning geroofd. Molentjes aan de ene kant, ijs en patat aan de andere zijde. En ik zeg tegen iedereen dat zijn schoenen de wacht houden. Niemand gelooft me. De jutter is dood. De jutter is de zee ingelopen. De jutter was een vreemde, zeggen ze. Een kluizenaar. Veertig jaar heeft hij in het witte huisje gewoond. Veertig jaar met niemand gesproken. Ze liegen. Hij spreekt met de zee. Vrijt met de wind. Liefkoost het zand. Hij leeft. Ik ga naar de politie. Zeg dat ik hem gezien heb. Ze zetten een zoekactie op touw. Ik ga mee. Ik wijs hen aan waar hij staat. Niemand ziet hem. Ze keren terug naar huis. Ze verklaren mij voor gek. Maar ik geef niet op. Middenin de nacht gil ik dat ze me moeten helpen hem te zoeken, hem naar het witte huisje terug moeten brengen. Niemand antwoordt. Ik gooi ruiten in. Ze pakken me op. Brengen me naar een gekkenhuis. Dwangbuisvast ben ik. Therapierijp. Ze praten op me in en ik ga geloven dat de jutter een waanbeeld is. Ik voel de genezende kracht van de psychiatrie door mijn aderen vloeien. Ik ben bereidwillig. Ik ben genezen. Ze ontslaan me. Jaren leef ik als een burgerman. Ik werk als pompbediende bij een benzinestation. Ik trouw met een frivool meisje uit Capelle aan de IJssel. Vrij met haar drie kinderen bij elkaar. Ben een gelukkig man. Van pompbediende tot pomphouder, van pomphouder tot eigenaar van tien benzinestations... van duizend, verdeeld over twaalf landen... van tienduizend, verdeeld over honderdtwintig landen. Drie wettige kinderen... vijftien bastaards. Eén wettige vrouw... vijftig onwettige. Ik word oud. Op mijn gezicht zie je oceanen en eilanden getekend. Wit haar heb ik. Ik draag ouwemannenschoenen, van die zware. Ik kijk in de spiegel en zie een oude man met zeeblauwe ogen. Nee, ik ben niet oud. Ik kom nog klaar in achttienjarige meisjes zonder dat mijn hart het begeeft. Mijn geld liefkoost amandelvormige ogen en satijnen borsten. Ik slaap in met mijn hoofd op schoten van de mooisten der aarde... ik droom... droom iedere nacht hetzelfde... zware schoenen voor een wit huisje... zee, zand en wind, een klein stipje onderbreekt de strakke kustlijn. Iedere nacht, veertig jaar. De achttienjarigen willen zonnen, zich exhibitioneren aan de zee. Ik verbied het ze. De zee is voor mij een gesloten boek. Ik verbied het ze. Ik durf niet meer naar zee. De ingegooide ruiten, de dwangbuizen, de therapie, ik kan het niet aan. Maar die kleine is zo wild. Ik kan haar niet weerstaan. Ik wil haar borsten rood zien verbranden aan zee. Ik wil dat hij over mijn schouder met mij mee kijkt en haar goed zal keuren. We parkeren de Audi 100 voor het hotel. Mijn lippen proeven het zout van de zee. Mijn oren horen de roep van hem. Ik kus haar welvingen. Streel haar gedachten tot ze slaapt. Ik sluip de kamer uit. Loop naar het witte huisje. Een juttersmuseum nu. De zware schoenen staan voor de deur. Ik huil bij het zien ervan. Ik loop naar de kust. Hij staat voor de zee. Dirigeert de golven. Regisseert de maan totdat zij haar stralen perfect op het water laat schijnen. In veertig jaar is er niets veranderd. Ik ga naast hem staan. Gezichten vol oceanen kijken elkaar aan. Witte haren ontmoeten witte haren. Hij pakt mijn hand. We lopen samen de zee in tot de witte haren de golven niet meer kunnen weerstaan. De ochtendzon toont een strakke kustlijn, zonder ook maar een enkele onderbreking, maar als je goed luistert hoor je het Adagietto uit de vijfde symfonie van Gustav Mahler spelen.

Schrijver: Ger van Veen, 7 sep. 2003


Geplaatst in de categorie: algemeen

1,7 met 10 stemmen 1.219



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)