Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 1244):

Groei van een krielkip

Schuin tegenover het ziekenhuis waar ik werkte, bevond zich mijn toevluchtsoord, studentencafé “Jean l’Hiver”. Aan ’t eind van iedere werkdag schoof ik er binnen om mijn opgezwollen voeten rust te gunnen en een koel glas wijn te drinken.
Ik zat altijd wat achteraf aan een grote, ronde tafel, heerlijk helemaal voor mij alleen; bomvol was ’t er nooit rond klokke vijf, de avonddrukte moest nog beginnen.
Enkel op vrijdagmiddag moest ik mijn tafel delen met vier anderen, strijk-en-zet kwamen ze een kwartier na mij binnen, een hecht aan elkaar geklit groepje. Wat ze zeiden was voor mij abracadabra, maar hun namen kende ik al gauw – daar had je Harold en Agnes, twee lange mensen, hij zo blond als zij donker. Wanneer het winter was en de lamp aan, toverde het lamplicht zilveren spikkeltjes in Harolds blonde krullen en een blauwe glans in Agnes’ zwart, stijl haar. Vaag had ik de idee dat Harold de leider van dat viertal was; wanneer hij het woord nam, vielen de anderen stil terwijl Agnes stoïcijns voor zich uitkeek, wachtend tot hij uitgesproken was.
Christine en Egbert vond ik het aardigst – zij met warrig haar waaruit een paar pieken omhoog stonden als de kuifveren van een vogel, hij met een speels over ’t voorhoofd vallende lok die niet te temmen leek. Wanneer de glazen leeg waren en iemand opstond voor een volgend rondje, keken beiden vrolijk en onbekommerd om zich heen, zij met een knipoog richting mij, hij met een licht ironische maar toch milde glimlach.

Wat ze gemeen hadden, was hun natuurlijke zelfbewustheid, gestut door opvoeding en opleiding, veronderstelde ik.
Het fascineerde me in hoge mate.
En jaloers, o ja, dat was ik, krielkip naar lichaam en geest, in hoge mate.

Waar ik de moed vandaan haalde die vier een rondje aan te bieden wist ik zelf niet, maar ik zag ze iedere vrijdag, ze zaten ongevraagd aan “mijn” tafel en wat drommel, universitairen of niet, ook ík besta, hield ik mezelf streng voor.
Christine “Kuifveer” gaf me een knipoog en Egbert zond me z’n milde lachje.
Bemoedigend.
Ik stond zo snel op dat ik mijn knieën stootte – wat ieder van hen gewoonlijk dronk, wist ik allang – en keerde terug met een vol blad. Als vanzelfsprekend knoopte Christine een gesprek met me aan, terwijl Egbert toeluisterde. Maar o, o, durfde ik deze goedgebekte mensen te vertellen over mijn werk in de kantine van ’t ziekenhuis? Over ’t schoonmaken van tafeltjes, ’t klaarzetten van bordjes en bestek afgewisseld door werk aan de kassa? Ik maakte me ervan af met het zeggen dat ik leerling-verpleegster was… ’t idee bleef in mijn gedachten hangen… leerling-verpleegster, dan verpleegster…
‘Vertel eens,’ zei Christine uitnodigend terwijl Egbert me geïnteresseerd aankeek. Ik wierp een tersluikse blik op Harold en Agnes, maar die waren druk in gesprek, gelukkig maar, want eerlijk gezegd wist ik niet voor wie van de twee ik banger was – voor Harolds altijd dwingende leidersblik of voor de altijd misnoegde trek rond Agnes’ mond. ‘Och, die ellendige anatomie,’ verzon ik voor de vuist weg, ‘práát me d’r niet van!’ Ik lachte maar eens en nam me voor de bieb van ’t ziekenhuis grondig te raadplegen. Gelukkig vroegen ze niet door; Harold nam ’t woord, ons met zijn priemende blik omvattend. Waar hád-ie ’t over… eks… eksie… eksiestensialisme? Individu, het zijn, het niets, de dood – de woorden warrelden langs me heen, terwijl ik me tevredenstelde met het stilletjes observeren van de anderen. Christine en Agnes leken me hopeloos verliefd op die zemelende betweter; ’t leek me dat Christine de meeste kans maakte met haar stralende ogen en oplettende houding, maar ik gunde haar wat beters dan die kille kikker.

Zo vergleden verscheidene vrijdagmiddagen volgens een geijkt patroon.
’t Enige wat veranderde was dat Christine steeds stralender leek en Agnes steeds ongelukkiger; ’t was zelfs of haar eerst zo fiere houding meer en meer verschrompelde.
Harold bleef onaangedaan.
Wat ís het toch een botte lul, dacht ik soms, m’n aanvankelijke bevangenheid voor hem beetje bij beetje verruilend voor verachting.

Op een dag wachtte Harold me bij de uitgang van ’t ziekenhuis op. Ik was bekaf, m’n voeten sleepten me met tegenzin naar ‘m toe. Scheef zat-ie op z’n fiets, onverschillig keek-ie door me heen, z’n rechtervoet op de grond, z’n linkervoet irritant bungelend.
‘Zeg, vanochtend kreeg ik een foontje van de politie, ’t schijnt dat Agnes zich voor een trein geworpen heeft, jij licht de anderen wel effe in hè? Tabee.’
En weg was-ie.
Ik keek ‘m verbijsterd na – moest ík de anderen inlichten, ik, de onaanzienlijke? Och, juist daarom kiest-ie jou voor dit klusje, realiseerde ik me, en voelde een hysterische lachbui opkomen.
Toen pas drongen Harolds woorden in volle hevigheid tot me door.
Ik voelde me suizebollen… wat… wat allemaal… Agnes… trein… o nee toch… en over een kwartier… hoe moet ik het hen vertellen… ogoddogod…
Ik stond daar maar, een vreemde apathie kreeg me in haar greep. Over een kwartier… zoemde het door mijn hoofd…
Om tot mezelf te komen, beet ik fel in de muis van mijn hand – vlug naar “Jean l’Hiver” voor de anderen er zijn, snel iets drinken, je hebt ’t nodig, nu meer dan ooit, beval ik mezelf.
Eenmaal binnen bestelde ik een dubbele jonge jenever, betaalde meteen en ging op ons plekje zitten. Wachtte. De jenever werkte heilzaam, m’n hoofd suisde niet meer, m’n vermoeidheid trok weg.
Daar dromden ze al naar binnen. Wat zijn ze jong, ging het nog even door mijn hoofd.
Toen legde ik kalm mijn handen op tafel, richtte mezelf op en, voordat iemand iets had kunnen zeggen, nam ik als vanzelfsprekend het woord. Sober vertelde ik hen het karige wat Harold mij, dat gezeglijke krielkipje, had doen toekomen.
Zonder hun reactie af te wachten stond ik resoluut op en liep naar buiten.

Harold heb ik nooit meer teruggezien, evenmin als zijn adepten.

Schrijver: Femmy, 1 sep. 2005


Geplaatst in de categorie: algemeen

2,3 met 6 stemmen 1.163



Er is 1 reactie op deze inzending:

Naam:Wimper
Datum: 5 sep. 2005
Emailadres:wim.vandeleenetelenet.be
Bericht:Uit het leven gegrepen, een bloemrijke woordenschat en een ironische ondertoon, met een gezonde dosis zelfspot. Afgunst is een verterende kracht. Graag gelezen.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)