Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Ieder zijn verhaal

Hij liet me zelfs zijn paspoort zien om maar te bewijzen dat hij echt eenenvijftig jaar oud was. Adrianus zag ik staan en zijn achternaam was bijna de voornaam van mijn vader. En inderdaad, hij was geboren in 1954. Het was hem niet aan te zien, veertig had ook gekund. Zo snel als hij zijn identiteitsbewijs tevoorschijn had gehaald, zo snel trok hij zijn hand weer terug. Adrianus - hij zal wel Aad heten of Adri - begon een gesprekje met mij op het perron in Nijmegen. Of die trein daar echt wel naar Arnhem ging.

Ja hoor! Je neemt me niet in de maling? Nee, nee, ik moet zelf ook naar Arnhem. En waarom zit je dan nog niet in die trein? Omdat je daar niet mag roken. O ja. En hij pakte zijn shag tevoorschijn…ook eentje? Nee, ik heb al…en waar heb ik nou toch mijn aansteker? Meteen schoof ik hem die van mij onder zijn neus. Hé bedankt. En, hoe laat gaat hij dan? Over acht minuten ongeveer. Weet je dat zeker? Want ik heb de conducteur ook al gevraagd en die man heeft hier vier tijden op een briefje geschreven. Adrianus probeert het te lezen, terwijl de tijden ondersteboven op het papiertje staan. Kijk daar op dat bord staat het, ook dat deze naar Arnhem gaat. Ja, hoor eens, ik heb slechte ogen. Ik ben eenenvijftig, maar ik wil geen bril. En na die opmerking gooit hij zijn sigaret op de tegels. Nadat ik mijn sigaret heb opgerookt, stappen we in de trein. Aan een stuk door vertelt hij en vraagt opeens: Waar woon jij dan? In het Broek. O, dat ken ik wel, daar heb ik vroeger ook gewoond. Ik ben nu 51 hè, maarre, voor of achter? Aan het begin. Oh, zeker bij de houtzagerij. Ja, daar ja. Daar staan sinds kort appartementen, voeg ik er aan toe. Ja, dat weet ik niet. Maar waar woon je dan? In het Broek, antwoord ik nog een keer. Waar dan? Bij de Johan de Witlaan? Ja daar in de buurt. En hij vertelt weer verder. Ik ben net gescheiden en ik heb twee kinderen. Sinds dertig jaar woon ik weer bij mijn moeder. En ze weet het nog niet, die scheiding, want ze is stokdoof. En elke nacht zie ik die kop van mijn vrouw voor me en mijn zenuwen gieren door mijn lijf. Volgens de dokter ben ik overspannen. Drie Oxazepam mag ik elke dag nemen en dat doe ik dan ook, maar het helpt niets. Waarom gaat die deur nou dicht? Dat gaat automatisch, dat hoort zo. Ja, ik reis nooit met de trein, maar ik rijd ook geen auto, want ik heb geen rijbewijs, nooit gehad ook. Ik heb op de baan gewerkt aan het spoor in Nijmegen, maar dit is de eerste keer dat ik met de trein ga. Mijn vrouw bracht me altijd overal naartoe. En nu woon ik weer bij mijn moeder, zegt Adrianus neutraal. Ik ben ook stratenmaker geweest. Elf jaar! Rug helemaal kapot gewerkt. Ik heb drie keer een hernia gehad. Ik ben nu eenenvijftig, maar ik wil niet in een karretje. Mijn vader, die is nu naar een ehh…gebracht. En terwijl hij het zegt, maakt hij met zijn hand een zwaaiend gebaar langs zijn hoofd. Ik werk al vanaf mijn veertiende. School was niks voor mij, alleen maar knokken, zegt hij glimlachend. En jij? Wat doe jij? Ik ben aan het afstuderen. Waarin dan? SPH. Wat is dat? Dat weet ik eigenlijk ook niet, grap ik, zonder dat hij het door heeft. Ja, nou moet ik oppassen, zegt Aad op een heftigere toon. De dokter zegt dat ik rustig aan moet doen, dus maak het me niet te moeilijk. En langzaam zeg ik: Sociaal Pedagogische Hulpverlening. En wat kan je dan? Want het zegt me niks.

‘Dan kan je allerlei mensen helpen die om één of andere reden niet zelfstandig kunnen leven.’

En met die woorden, lijk ik een toverspreuk uit te spreken over mezelf. Mensen helpen. Mensen zoals hem. Mensen die hun verhaal doen en mijn verhaal niet hoeven zien. Als professioneel hulpverlener houd ik mijn eigen verhaal op de achtergrond. Het stond ooit als commentaar op een teruggekregen verslag: ‘En je eigen verhaal? Dat laat je niet meewegen, maar mee be-wegen!’ Of andersom, dat weet ik niet meer. En waar woon jij dan? Op de automatische piloot gaat bij mij het gesprek verder…

Voor of achter?

De toverspreuk begint te werken. Je moest eens weten Adrianus, komt er in me op. En ik denk aan een dierbaar iemand, die me vandaag belde met het verhaal dat hij geprobeerd heeft er een eind aan te maken. In een verwarde bui had hij in een politiecel geprobeerd zichzelf te wurgen met de rits die hij van een of andere veiligheidsjas had afgetrokken. Ik hoor het hem nog zeggen: Niet dat ik het wilde, maar ik was zo in de war, ik deed het gewoon. En ik denk aan dat dochtertje van een lieve collega van mij, zes jaar oud, bij wie heel ernstige kanker is geconstateerd, zou ze morgen nog leven? Te heftig om te beseffen allemaal. En ik denk aan diegene die ik zo mis en er niet meer is…
Wat draag ík allemaal met me mee? Verdorie, op het allerlaatst denk ik dus pas aan mezelf. Binnenkort heb ik mijn diploma en ga ik dan mensen helpen? Wil ik dat wel? Ik wil graag verhalen horen, maar dan zoals nu, spontaan in de trein. Maar niet in werk waar ik mij als persoon constant op de achtergrond zet. Ik wil in mijn werk op de voorgrond staan! En mijn verhaal doen! Ik heb ook rottigheid gehad, ellende meegemaakt, en van alles gezien en gedaan. Hier kijk, heb je mijn paspoort. Zie je? Zo oud ben ik! En voor deze keer leg ik nu nog heel professioneel mijn verhaal niet gedetailleerd op tafel.
Want ergens ligt het er al.

Schrijver: Jeroen Zwaal, 29 jan. 2006


Geplaatst in de categorie: werk

3,2 met 13 stemmen 1.443



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)