Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 2123):

Aan de andere kant van de spiegel - deel 1

Zeven dagen en nachten bevind ik mij nu al in deze toestand. Vrij als een vogel kan ik mij verplaatsen. Afstanden, muren en sloten hebben voor mij geen betekenis meer.
Ik – of wat daarvan over is, laten we zeggen: mijn geest – gaat met de snelheid van de gedachte naar elke willekeurige plaats die ik wil bezoeken. Het meest intrigererende en eigenlijk ook het meest leerzame van deze nieuwe toestand is, dat het innerlijk, ja zelfs de meest intieme gedachten van de mensen die mij dierbaar zijn, voor mij zo doorzichtig zijn geworden als glas. Moeiteloos lees ik hun gedachten, registreer ik hun geheime bedoelingen en voel ik wat er op elk moment door hen heen gaat. Alleen daarom al hoop ik nog eventjes zo, in deze sfeer, te mogen blijven. Veel kans is daar echter niet op. Reeds voel ik me sterker en sterker aangetrokken tot mijn lichaam, dat amechtig ligt uitgestrekt op de intensive care van het AMC. Via dunne slangetjes en draden wordt het in leven gehouden. Waarschijnlijk is het nog slechts een kwestie van uren voordat mijn geest weer onderduikt in dat toegetakelde lichaam. Het begint zich steeds meer te roeren, alsof het al een aanloop neemt om zich uit zijn staat van doffe bewusteloosheid te bevrijden. Daarmee komt er een eind aan de meest wonderlijke ervaring die ik ooit in mijn leven heb gehad.
De medici hebben hun werk goed gedaan, dat moet gezegd. Nadat ik met snijbranders uit het wrak van mijn auto was verlost, heb ik, op een afstandje boven de plaats van het ongeval zwevend, kunnen volgen hoe in het wit geklede ziekenbroeders mijn lichaam op een brancard legden. Daarna droegen ze mij naar een ambulance die al met draaiende motor en wijd opengeslagen deuren gereed stond. Tien minuten later lag ik met ontbloot bovenlijf op een operatietafel. De instrumenten waarmee ze mijn borstkas openmaakten fonkelden koud in het schijnsel van de felle kwiklampen. Op gedempte toon hoorde ik ze elkaar aanwijzingen geven. Eén van hen ploegde met een tang en een pincet in mijn borst. Toch voelde ik daarbij geen pijn, integendeel: terwijl ze met mijn lichaam bezig waren in een poging om de levensgeesten weer op te wekken, keek ik vanaf een plaats ergens bij het plafond belangstellend toe. Daarbij viel het me op dat de arts die mij met zijn gereedschap bewerkte al wat begon te kalen op zijn kruin. Ook merkte ik wat hij op dat ogenblik dacht. Eerst geloofde ik dat hij onophoudelijk tegen zijn collega’s stond te praten, maar toen ik een wat andere positie innam – iets wat mij verrassend weinig moeite kostte, ik bevond mij ogenblikkelijk daar waar ik mij wílde bevinden – zag ik dat zijn lippen daarbij niet bewogen. Toch hoorde ik hem heel duidelijk praten: “Drie ribben gebroken, shock, veel bloedverlies. Gevaar voor een hartstilstand, maar hij zal het wel redden. Rare knuppel trouwens. Marie zei dat ‘ie zomaar in z’n eentje tegen de vangrail was aangereden. Dronken misschien? Hm, niks van gemerkt. “
Hij blikte even op het apparaat dat mijn hartslag grafisch weergaf. Plotseling vertoonde de naald, die een onregelmatig berglandschap tekende op een draaiende rol, geen uitslagen meer. Er ontstond commotie onder het personeel; op een wagentje met wielen eronder reden ze een elektrisch toestel naar de operatietafel. Elektroden werden op mijn borst bevestigd. Bij elke stroomstoot voer er een huivering door mijn lichaam. Maar het had succes: even later schoot de naald weer omhoog en beschreef in scherpe dalen en pieken het pulseren van de hartkamers. Vervolgens werd mijn borstkas weer met dunne, transparante draden dichtgenaaid.

Vreemd eigenlijk dat ik helemaal geen pijn voelde terwijl er van alles en nog wat met mijn lichaam werd uitgevreten. Of was ik dat misschien toch niet, dat toegetakelde lichaam op die operatietafel? Het droeg wel dezelfde broek die ik vanmorgen had aangetrokken. Ook had het ongeveer mijn gezicht, maar door de vele snijwonden op het voorhoofd en de wangen was het niet zo duidelijk herkenbaar. Het haar klopte precies. Wat mij tenslotte overtuigde was de ring om de ringvinger van mijn rechterhand. Ik zweefde naderbij om hem goed te bestuderen. Geen twijfel mogelijk: het vertoonde exact dezelfde inkepingen als mijn eigen ring; ik was getuige van mijn eigen operatie!
Zou het me lukken om Carla te waarschuwen, om haar ervan te overtuigen dat ik was verongelukt maar toch niet dood was? Levend, maar toch niet in mijn lichaam? Ik hernam mijn oude positie bij het plafond om na te denken. Goed: ik kon de gedachten van anderen opvangen. Maar konden anderen dan ook míjn gedachten lezen? Het was te proberen. Ik dacht aan Carla.

Tot mijn verbazing bevond ik mij in een oogwenk bij haar in de kamer. Zij zat met onze Roelof op schoot en voerde hem een fruithapje. Ik ging vlak voor haar staan en probeerde haar aan te raken, maar ze reageerde niet. Ze babbelde wat tegen de baby, die smakkende geluidjes maakte en haar met zijn grote, heldere ogen aankeek.
Haar lippen bewogen niet, maar net zoals bij de chirurg die ik ook hardop had horen denken, ving ik haar gedachten op. Ze dacht erover na om straks, als ik thuis zou komen, nog even de stad in te gaan om babykleertjes te kopen. Maar misschien deed ze dat morgen wel, ze voelde zich zo moe. “Bah, er is ’s nachts ook altijd wel wat”, dacht ze, “is het niet Roelof die ’s nachts een kik geeft, dan is het wel Anton die om drie uur ’s nachts onze kamer komt binnenrennen omdat ‘ie naar gedroomd heeft. Henry gaat ook veel te laat naar bed, trouwens. Vaak zit ‘ie tot een uur of twee tv te kijken of te lezen, helemaal in trance. En maar roken ondertussen: daar moet ‘ie maar ‘es mee ophouden, die lummel!”

Schrijver: Hendrik Klaassens, 16 sep. 2006


Geplaatst in de categorie: religie

4,8 met 4 stemmen 692



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)