Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 2329):

Zomernacht

Ze zitten samen onder een parasol. De goudenregen regent en de dauwdruppels lijken tranen van ongeschreid verlangen. De stortvloed van boze woorden die ze deze hele zoele zomernacht op elkaar hebben afgevuurd is gesmoord in een tot vrede aanzettende slaperigheid.
Hun beider moeheid wordt een kiem voor solidariteit, doet ze voelen dat het toch allemaal niet zo belangrijk kan zijn dat waar ze de hele nacht over gestreden hebben. Want, zoals iedere 24 uur sinds hun geboorte zullen ze straks toch weer gaan slapen, en slapen gaan vereist een diep vertrouwen in de mensen en dingen om je heen, de bijna-zekerheid dat je je bewustzijn veilig kan uitschakelen omdat er geen direct gevaar dreigt.
Straks zal die rooddoorlopen kop met die gezwollen randen om de ogen en rivieren van rimpels op het voorhoofd_ nu nog met de zoveelste sigaret tussen de verdroogde lippen en door een stank van rook en drank omgeven zoekend naar zijn laatste verbale munitie_ slechts de decoratie van een wit kussensloop zijn, een stilleven na een hevige helledood.
En ze zal ernaar kijken… en zich omdraaien… en weer kijken en het uittekenen…en de sterke drang moeten onderdrukken om haar handen eromheen te vlijen, het naar zich toe te trekken en onder een laag van lippenspel te bedelven.
Zijn ogen vallen nu bijna dicht en zijn kanonnades worden mompelingen.
Met zijn gestrekte benen, openvallend hemd uit de broek en halfopen gulp ziet hij er potsierlijk uit…ze durft bijna te glimlachen, of ziet hij toch nog scherp door zijn spleetjes?
De nacht trekt aan haar geestesoog voorbij als een bloemencorso met enkel distels, onkruid en zwarte tulpen en dompelt uiteindelijk onder in het naderend daglicht en de eerste gezangen van merels en mussen die, evenals zij samen de hele godgloeiende nacht hebben gedaan, hun territorium luidkeels gaan afbakenen, tot ze, evenals zij, weer zullen gaan slapen, zich van geen territorium bewust en toch met een slaapplaats beschikbaar.
Een droge mond, een tong als leer doen haar opstaan en tasten naar een toevallige fles bronwater waarin de erachter staande volle asbak en de uitgelopen druipkaars indringend weerspiegeld worden. Waarom komen op dit soort uren dergelijke details zo helder en kwetsend op je over? schiet door haar heen terwijl ze al schenkend in een vettig, gebruikt glas het tafereel heeft opgeheven.
Bijna ontroerd door de rotzooi om haar heen spoelt ze haar mond, werpt een laatste blik op de ‘vredevorst’ naast zich en besluit hem niet wakker te maken, maar te laten broeien in het feestgewoel van de zoele zomernacht.
Ze rekt zich uit, staat op en loopt naar hun huis, dat zich gebleekt en flets overgeeft aan het opmonterende, roodverkleurende ochtendgloren.
Een enkele wankele stap en dan het schrille geluid van haar huiverende echtgenoot die aan het ontwaken is.
Zijn stem komt hees en verdroogd op gang. ‘Wat ik toch net droomde…uche, uche.’ Enige seconden stilte. Ze denkt dat hij alweer is ingeslapen, haalt opgelucht adem. Gelukkig geen herhaling van de avond- en nachtvullende woordenmartelingen in het vooruitzicht.
‘God, ik sterf van de dorst…ga je naar bed?’ vervolgt hij onverwachts.
‘Hé, moet je horen…ik ben geloof ik in slaap gevallen …maar ik bleef hier gewoon in de tuin…het was vast een droom.’
Ze loopt maar weer terug naar de tuinstoel, die nog warm aanvoelt.
‘Hè, hè’, hij krabt zich kreunend en steunend achter het oor en kamt met zijn bruingerookte vingertoppen zijn verwarde, dunne haardos.
‘Ik moet gedroomd hebben dat jij achter de parasol zat. Ik zag jouw schaduw achter de naar mijn kant uitgeklapte parasol, heen en weer springend door het kaarslicht en ik zat net zo als nu. Toen begon ik tegen je te praten maar je antwoordde niet. En toen kwam er rook achter de parasol vandaan, maar je rookt helemaal niet. Ik ben opgestaan en keek achter het scherm van de parasol: je zat er helemaal niet. De rook kwam van een sigaret met een filter waarop jouw lippenstift zat. Die sigaret lag te smeulen op de rand van een asbak helemaal vol peuken zonder lippenstift.
Hoe ik wist dat het jouw lippenstift was? Je lippen zaten nog aan de peuk!
En je lippen maakten steeds maar verkrampte praatbewegingen…alsof je boos was, ze lagen daar te kronkelen op de rand van die asbak om die peuk heen als de twee stukken van een door midden gesneden worm. Je lippen bliezen van woede en dat wakkerde het vuur en de rook aan het uiteinde van die peuk alleen maar aan. Zo erg dat een heel rookgordijn mijn zicht op de asbak met jouw lippen helemaal weg nam.
Toen heb ik op de tast geprobeerd jouw lippen te pakken, brandde me aan de gloeiende peuk en werd gillend van pijn wakker toen niet alleen mijn vingers maar ook mijn hele lijf in brand vlogen. Wat een gekke droom, hè?’ Hij begon alweer weg te zakken in zijn slaap.
‘Ja’, mompelde ze binnensmonds, ‘ik zal proberen voortaan niet meer zo loslippig te zijn, dan hoop ik dat je weer in mijn handen zult branden.’
Ze voelde zich helder en rustig en zette huiverend de tuinstoel naast die van hem om, veilig tegen hem opgekropen, te gaan slapen.

Schrijver: Gerard Wassekwam, 15 feb. 2007


Geplaatst in de categorie: liefde

1,8 met 5 stemmen 882



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)