Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 2743):

Voor je het weet...

‘Ben je wakker?’
Ik trek de deken nog wat verder over me heen. ‘Nee’, mompel ik haast onhoorbaar. Een vrouwspersoon loopt naar het raam en trekt met een ruk de gordijnen open.

‘Dan word je dat maar’, zegt ze fel. ‘Het is weer tijd namelijk’.
Het is weer tijd. Tijd waarvoor? Was ik niet gaan slapen om de tijd te vergeten? Ik hou niet van tijd. Het is een begrip dat zich niet laat vatten. Welke tijd hebben we het over? De dagen, jaren die ons nog resten? De eeuwen tot aan het vergaan van de wereld? Of gewoon het tijdstip van de dag? Voor mij is het allemaal hetzelfde. Tijd is tijd. Secondes, minuten, uren. Allen gaan voorbij. Hier is het vat “zijn”, ernaast het vat “geweest”. Zo simpel. Alleen ik snap er niks van. Ik ben meer van het vat “komen”. Heb ik tenminste invloed, kan ik nog hopen. Ja, het liefst word ik pas wakker als het heden voorbij is.

‘Ik vertik ‘t’, zeg ik in een poging fel terug te doen. ‘Ik vertik even alles. Vertikken, ja! Vertikken is mijn motto vandaag. En misschien morgen ook wel. Dan kan ik de dag erop zeggen dat ik vertikt heb. Alles!’
‘Doe niet zo achterlijk’. De vrouw kijkt nijdig. ‘Je zit me uit te dagen hè? Denk je dat je beter bent dan ik? Dat ik het verdien om door jou in de maling genomen te worden? Hou toch op zeg, heb hier helemaal geen zin in!’

Terwijl ze de laatste woorden uitspreekt loopt ze naar me toe en sleurt agressief de deken van me af. Ik voel me naakt, zo in mijn witte slipje met lichtroze singlet. Het is koud bovendien, en ik kronkel tot in foetushouding. Ik ken deze vrouw niet, wie is ze? En waarom doet ze zo naar? Er was een tijd dat iedereen me vriendelijk bejegende. Wat ik ook deed, wat ik ook zei, men bleef aardig. Kennelijk heeft deze vrouw geen zin daar aan mee te doen. Zou zij mijn ware aard kennen wellicht?

Als ik nu maar eens opstond, dan kon ik het gaan uitzoeken. Gewoon niet vertikken dus. Bij het oprichten van mijn hoofd voel ik hoe zwaar het ding eigenlijk is. Maar ook armen en benen laten zich nauwelijks verslepen. Ik rol daarom een stukje naar de zijkant van het bed, totdat mijn rechterbeen over de rand bungelt. Hopla, stap één.
Vervolgens rol ik met alweer een behoorlijke krachtsinspanning nog een halve slag, waarbij mijn hoofd en buik, maar ook de rest van mijn lichaam, een seconde in het luchtledige hangen, om meteen daarna ter aarde te storten. Bam! Ik kom met een klap neer op de grond naast het bed. Hopla, stap twee. Nu alleen nog overeind zien te komen en wegsprinten, denk ik in een poging mezelf op te peppen met wat cynisme.

Maar het werkt niet. Enkele uren later lig ik er nog steeds. De vrouw is blijkbaar vertrokken; ik heb haar al die tijd niet gehoord of gezien. Gelukkig, ben ik daar ook van af. Nare vrouw, wie is ze, en wat wil ze van me? Overigens kwam haar verschijning me wel enigszins bekend voor. Ze had iets weg van mijn moeder. Hoe ze haar hoofd lichtelijk schuin hield als ze je aansprak, de lichtvoetige manier van lopen; als een windvlaag die voorbij zoeft. Verder leek ze echter in niets op mijn moeder. Haar hele voorkomen was uitdrukkingsloos en mat. Uitgeleefd ook. Haar ogen zwart omrand, de huid grauw en bleek. Lichtgrijs haar dat in dunne, vettige slierten langs haar wangen tot net over de schouders hing. Lelijk was ze niet perse. De vorm van haar gezicht was zelfs mooi te noemen. Rondachtig, met duidelijke jukbeenderen. Als ze zichzelf niet zo verwaarloosde zou ze misschien best aantrekkelijk kunnen zijn. Maar dan moest ze ook iets aan die nare uitstraling doen. Waar was ze toch trouwens?

Ik test eens even de spieren in mijn gezicht. Linker wenkbrauw optrekken gaat goed. Knipogen met rechts lukt ook. Mond open en tong uitsteken, dat gaat al wat moeilijker, en fronsen lukt al helemaal niet. Dat laatste vind ik niet erg. Ik hou immers van blije, open gezichten, niet van een verwrongen en gesloten uitdrukking. Fronsen is wel het laatste wat ik zou missen. Alhoewel, dat gaat wat ver. Fronsen is natuurlijk een adequate manier om je verbazing te tonen. En dat kan erg functioneel zijn in een doorsnee ontmoeting. Je gesprekspartner begrijpt dat hij misschien te snel gaat, een te ingewikkelde materie bespreekt, of bijvoorbeeld weinig begrip kweekt, en zal daar in de meeste gevallen op anticiperen. “Vind je niet dan?” Of: “snap je?”

Maar goed, ik denk niet eens dat de vrouw het zou opmerken als ik zou fronsen – ze leek me nogal in zichzelf gekeerd - dus mijn onvermogen op dat gebied mocht geenszins een belemmering vormen haar nog eens tegemoet te treden om uit te vinden wat ze nou wilde. Ik zet daarom het levendigheidsonderzoek voort met het testen van armen en benen. Tot mijn verbazing lijken ze alle vier tot enige vorm van prestatie in staat. Fijne motoriek is wellicht nog te hoog gegrepen maar een simpele bewegingsvorm als lopen moet te doen zijn.

Met alweer een forse krachtsinspanning kom ik overeind tot in zit en hijs me verder omhoog aan de rand van het bed. Even lijk ik te gaan vallen maar meteen daarna hervind ik mijn evenwicht en zet een paar eerste passen in de richting van de deur. Rechts naast de deurpost ontdek ik een spiegel. Juist op het moment dat ik er voor ga staan kijk ik recht in het gezicht van de oude vrouw. Ik schrik en draai me snel om, maar struikel daarbij over een lading lege wijnflessen. Gerinkel van glas tegen glas, scherven die zich over de grond verspreiden, een lichaam dat zich laat doorklieven. Mijn lichaam? Of dat van haar?

Tijd. Ik hou er niet van. Maar ik ben er verdomd goed in haar te doen versnellen.

Schrijver: Cathelijne, 16 jun. 2008


Geplaatst in de categorie: tijd

3,5 met 6 stemmen 569



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)