Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Logeerpartij

Vaag herinner ik mij het verblijf daar op de boerderij van boer Gijsen. Het was een gemengd bedrijf, gelegen aan het Stieltjeskanaal. Naast de boerderij was een zogenaamde zijtak, een wat minder brede rivier dan het kanaal, die druk gebruikt werd door de turfschepen om her achteruit gelegen veengebied te bereiken. Om de weg langs het kanaal te kunnen vervolgen was een ophaalbruggetje geplaatst.

Brugwachter Harmsen zorgde ervoor dat het bruggetje zo’n twee tot driemaal per dag opgehaald werd. Om zijn werk te kunnen doen had de gemeente voor een stenen huisje gezorgd met een flinke tuin, waarop hij zelfs graan kon verbouwen. Hij kon dus in zijn levensonderhoud voorzien.
Dat gold in mindere mate voor de overige bewoners, dagloners. Zij woonden aan het iets verder gelegen Zandpad in houten huisjes. Sommigen zelfs in een plaggenhut.

De tijd was stil blijven staan. De jongeheer Van Lennep en zijn vriend zouden in 1823 hetzelfde aangetroffen hebben.

Als ik naar school ging, ik logeerde er vijf maanden, en ik liep over het Zandpad, was ik soms jaloers op de kinderen daar. Ze speelde half naakt in en rond die grappige kleine huisjes. Met z’n allen in één kamer. Wat gezellig. En ik moest nota bene schoenen aan. Met de dochter van de burgemeester was ik de enige die dat 'voorrecht' had.
De boeren in die streek hadden enig aanzien. Sommige dagloners namen ook voor mij hun pet af.
Eén- of tweemaal in de week ging de sirene.
Voor Duitse vliegtuigen?
Welnee, voor onze vrienden.
Hoog in de lucht, op duizenden meters, onbereikbaar dus, vlogen de bommenwerpers over. Zij hadden hun bommen op Berlijn laten vallen en waren op de terugweg. Dit squadron, misschien wel honderden vliegtuigen werd begeleid door jagers, Spitfires, die wilden hun kogels kwijt en de grens tussen Duitsland en Nederland was niet aangegeven. Zij vlogen over de kanalen en beschoten turfschepen. Menige turfschipper kan het niet navertellen.

In de klas moesten wij als de sirene ging onder de bank duiken, waar we onder elkaar grapjes maakten.
Ja, het was een spannende tijd.
Gebeurde er wel iets? Ja, toch.
Op een avond zaten we aan tafel in de woonkamer, de boer, zijn vrouw en twee kinderen van resp. 14 en 28 jaar en natuurlijk het logeetje. Het zal op een zondag geweest zijn, anders aten we in de keuken.
Het was, ook op de boerderij, geen vetpot. De pan met aardappelen stond op tafel. Je mocht echter maar één maal opscheppen. De boer kreeg twee stukjes spek en de anderen moesten het doen met één stukje.

We zaten dus rustig te eten. Opeens werd de deur opengetrapt. Drie soldaten met het geweer in de aanslag stormden binnen. Even later gevolgd door een officier, herkenbaar aan de kruizen en de pet met gouden band.. Vanuit de woonkamer doorzochten de soldaten het huis. De officier bleef tegenover mij aan tafel staan.
De familie zat verstijfd van schrik rechtop en verroerde geen vin. Ik was de enige die doorat en nogmaals opschepte. Dat viel de officier waarschijnlijk op. Hij bleef naar mij kijken.
Na enige tijd kwamen de soldaten terug. Zij hadden waarschijnlijk niets gevonden. De angst moest hun wel opgevallen zijn.
,,Aufstehen’’ zei de officier tegen de boer. Met de handen langs zijn lichaam ging hij staan.

,,Was ist daß’’, zei de officier weer en wees naar een aantal worsten die onder de schouw hingen.
,,Jawohl’’, zei de boer en haastte zich de worsten van de haak te halen. Hij wilde ze aan de dichtstbijzijnde soldaat geven.
Het was een bizarre situatie.
Plotseling, was het instinct of louter spanning, ging ik staan, strekte mijn rechterhand uit en riep keihard ,,Heil Hitler’’.
De mond van de officier viel wagenwijd open en ook de soldaten staarden mij aan.

Toen volgde er een bulderend geluid. De officier lachte, lachte en bleef lachen. De tranen liepen hem over de wangen. Ook de soldaten lachten nu mee. ,,Mitkommen’’, zei de officier tegen zijn manschappen. Zij vergaten de worsten. Even later hoorden wij een motor aanslaan.
Angstig keek ik naar de boer. Er werd niets gezegd. Het was goed.

,,Incidenten’’ waren het. Ook die keer dat ik de sirene niet hoorde. Ik zat naast het huis bij de door een grote haag afgescheiden groentetuin een kattenpult te maken. Ineens was daar boven de haag een geweldig vliegtuig. In de glazen koepel zat een man met een zuurstofmasker op. De kogels vlogen boven mij door het kozijn. Dit maakte op mij een enorme indruk.

Het vliegtuig vloog verder en ik liep, een beetje beduusd, naar binnen. Er was niemand. Uit de kelder klonk geluid. Ik ging dus de kelder in. Daar zat de familie, uitgezonderd de boer, die op het veld bezig was. Tussen de familie in zaten twee Duitse soldaten.
,,Waar kom je vandaan, heb je de sirene niet gehoord’’.
De aanwezigheid van de Duitse soldaten was op zich niet vreemd. Eerder waren er een paar ingekwartierd. Zij mochten in het stro slapen en overdag werkten zij op het land. Om het hun naar de zin te maken mochten zij ‘s avonds op het orgel spelen. Zij zongen dan en ik zong natuurlijk mee: ,,Morgen komm ich wieder, aber heute müss ich gehen.’’

Dit was niet alles. De piloot vuurde nog even door en verdween.
De kogels gingen hun eigen weg.
Aan de overkant had de vrouw van de brugwachter zich met haar 14-jarige zoon verschanst in de kelderkast aan het einde van een lange gang tegenover de buitendeur.
De kogel ging dus door de buitendeur, de gang door, de deur van de kelderkast, door het lichaam van de jongen, die bij zijn moeder op schoot zat en uiteindelijk ook door de moeder.

De soldaten waren weer in hun legervoertuig gestapt.
Korte tijd later hoorden wij wat er aan de overkant gebeurd was. Dat wil zeggen, ik werd daarvan niet direct op de hoogte gesteld.
De rest van de middag werd er gehuild.

Schrijver: Lodewijk, 1 sep. 2008


Geplaatst in de categorie: emoties

4,1 met 14 stemmen 538



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)