Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

RIJMELARIJ

Door het venster heen zag hij hoe de strakke wind door de nieuwe takken van de fors gesnoeide populieren woei. De zon scheen flauwtjes door de monotoon opgebouwde wolkenburchten. Het eentonige geronk van de diepvrieswagen aan de overkant van de straat martelde zijn gestel.

Hoelang duurde dit nu al? Hoelang moet ik dat nog dulden, vroeg hij zich wellicht af? Moet ik opstappen of niet? Hoe dan ook, hij kon het niet langer aan, schoof zich in de oude stapschoenen, greep naar zijn warme jas en wandelstok en plantte de doordeweekse grillig gevormde pet op de kale kop. Bekeek zich nog even in de spiegel en zag een grauwe grijze stugge kop hem met treurige blik aankijken.

Hard sloeg hij de voordeur achter zich dicht. Het glas erin rammelde. Dààr stond hij nu, op het trottoir. Welke richting zou hij uitgaan links naar de bushalte, rechts richting park “de Rode Beuk” of gewoon rechtdoor de wijde wereld in.

Hij koos voor het laatste en zette meteen de eerste stap voorwaarts in een plas water in de greppel. Hij vloekte maar vergaf het zichzelf binnen de eerste seconde: “ik moet maar beter opletten” dacht hij en liep het weggetje vastberaden in.

Vale gordijntjes van de buren gingen even opzij terwijl nieuwsgierige blikken de zin van zijn uitstap trachten te vatten. Waar trekt Antoon, in godsnaam, in de morgen nu naartoe? Verderop is er toch niets te beleven, niets te zien dan landerijen met groen en groen. Overal groen! Geen rund zal hij tegenkomen laat staan een of ander levende ziel.

Het pad leidde inderdaad door de eindeloze velden over hoogtes en laagtes. De wind blies hem in het verweerde gezicht terwijl hij flink doorstapte zo goed zo kwaad hij maar kon. Hij keek niet eens meer verbaasd op toen hij in de modder ploeterde. Weg moest hij, weg de wijde natuur in om er rust te vinden, om die knabbelende muizenissen uit het hoofd te bannen.

De laatste tijd had hij meer zulke “aanvallen”, wist hij geen blijf meer met zijn hebben en houden. Zijn nachtrust leed eronder. Kwam het door de dood van zijn vrouw nu drie jaar geleden al? Sinds ze overleden is, leeft hij alleen verder, bereddert zichzelf zo goed als het kan. Zijn kinderen lopen de deur niet plat (hebben ook hun gezinsproblemen) en zelf gaat hij niet veel bij hen op bezoek nergens trouwens. Een situatie waarin hij zich niet uitsluitend alleen bevindt, vond hij, en waar anderen er heel wat minder “goed” voorstaan dan hijzelf, zoveel is zeker.

Na een tijd stappen bleek hij wat op zijn adem getrapt te hebben, verminderde zijn cadans, tastte even aan zijn borstkas en keek rond of hij zich ergens kon neerpoten. Wat verderop meende hij een omvergevallen wilg te bespeuren en inderdaad het bleek een weggekomen geïmproviseerde bank te worden.

Hij zette zich behoedzaam neer, diepte zijn zakdoek uit de broek op en depte zich het gerimpelde bezwete voorhoofd af. Zuchtend keek hij naar de punten van zijn beslijkte schoenen en trok dan beide schouders op.

Niemand had hij ontmoet tijdens de wandeling. Hier en daar een gepiep, gezang of gekras van een vogel gehoord, dat wel, maar anders niets. Genoten had hij zeker van zijn uitstap, o.m. van die gezonde frisse wind die hem om de oren had gedarteld en tussen zijn magere broekspijpen had gespeeld.

Maar nu was hij die natuurbank dankbaar en liet hij de gedachten de vrije loop. Zijn lange leven zag hij, als in een film, in een paar minuten tijd aflopen. Een gevuld leven, een alledaags leven met de gebruikelijke ups-and-downs. Aan zijn schooltijd, aan zijn leraar Frans. De arme man is al zolang overleden. Hij dacht verder diep na en toen overviel hem de muze en begon hij, zomaar, te rijmelen:

Un petit sentinelle
À la citadelle
Se jetta sans arroi
Par-dessus de la paroi
Et oui, il tomba de si haut
Sur la selle d’un vélo
Qu'il commençât à rouler
Avec allure, sans se retourner
Lorsqu'il arriva dans un ruisseau
Où, oh! Mon Dieu, il n’y avait plus d’eau.
C’est pour vous dire
Qu’il ne faut pas lire
Ce qu’on écrit
C’est moi qui vous le dis.

In één oogwenk had hij die karamellenverzen blijkbaar voor elkaar gekregen. Hoe kon hij nu al die nonsens aan elkaar flansen in een vreemde taal, iets wat hij in zijn eigen moedertaal niet eens kon? Welke “goddelijke” inspiratie viel hem hier te beurt? Hij tobde er verder over maar vond geen bevredigend antwoord.

Daar het wolkendek er lager en donkerder begon uit te zien, vermoedde hij dat de regen niet ver meer af was. Hij hees zich moeizaam omhoog, strekte zich de stijve ledematen en ving de terugweg aan.

In zijn rijmelarij verzonken – hij herhaalde almaardoor wat hij zopas had “gedicht” – had hij niet eens opgemerkt dat een dame van middelbare leeftijd, niet te groot wat korte gefriseerde grijze haren, hem tegemoet kwam. Beiden bleven staan en begroetten elkaar. Hij bezwoer haar dat het weldra zou kunnen beginnen regenen en verder marcheren haar een flinke regenbui zou opleveren. Hij kon haar overtuigen samen de terugweg aan te vatten.

Toen ze bijna bij zijn woning waren aangekomen vielen de eerste dikke waterdruppels. Vanachter de vale gordijnen sloegen verwonderde ogen het koppel gade.

Doordat de dame nog heel wat verder moest, legde hij de rechterarm op haar rug en nodigde hij haar uit zolang te komen schuilen tot het ergste voorbij zou zijn.

Aanbod waarop ze, na wat aarzeling, graag is ingegaan.

Hoe het verder is gelopen zal de nabije toekomst het moeten uitwijzen.

Afijn, dat is wat Seppe, zijn goede oude vriend, me ooit aan de koffietafel in het rusthuis bij mijn bezoek heeft verteld, zei kameraad Staf me nog onlangs nog na afloop van het kaartspel bij de veertiendaagse ontmoetingsdag van de “ouderen van dagen”.

En…, zoals ik, zitten jullie nu ook op uw honger.

Smakelijk!

Schrijver: Jan Coessens, 14 jan. 2009


Geplaatst in de categorie: vriendschap

0,3 met 6 stemmen 608



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)