Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Dubbel afscheid...

Het is 20.30 uur. Een zomerse dinsdagavond. Nog steeds hangt er buiten een tropische hitte. Ik zet mijn fiets naast het gebouw van het verzorgingstehuis waar mijn moeder woont en begeef me naar de lift.
Als ik haastig de gang van de 5e verdieping op loop en – weer veel te laat naar mijn zin - naar binnen ga, tref ik mijn moeder aan in bed. Ze draagt een nachtpon met lange mouwen en ligt onder haar laken met nog een dekentje er boven op. Het is verschrikkelijk warm in dit oude gebouw zonder airco. De temperatuur is minstens – zo schat ik- 27 graden! De blik in haar ogen is vreemd en verward, ik schrik er behoorlijk van. Ze gaat rechtop zitten en ik zie dat het rode lichtje van de alarminstallatie aan de muur brandt.

Er komt een verpleger binnen en hij vraagt: “Wat kan ik voor u doen, mevrouw?”
Ze kijkt hem verbaasd en geschrokken aan, ze moet iets verzinnen en snel ook anders wordt hij misschien boos. Nog steeds angstig in het rond kijkend en dan weer met haar hoofd omlaag, friemelt ze wat aan haar laken. Met een nietszeggende blik staart ze voor zich uit. Eindelijk schiet haar wat te binnen. Zo goed en zo kwaad als ze kan, zegt ze: “laken eh…. laken, moet mijn bed niet opgemaakt…. mijn bed?”
Ik wissel een blik met de jongeman en zeg: “nu je er toch bent is het misschien wel handig om haar alvast naar de wc te helpen, dan kan ze zo meteen gaan slapen.”
”Dat is goed”, zegt hij. Moeder moet gaan staan, haar rollator is inmiddels voor haar neergezet. “O, o, kreunt ze, ik ben bang, dat weet je wel hè”; ze kijkt de verzorger weer aan met een angstige blik.

Met bewondering kijk ik naar de verpleger. Het geduld en de manier waarop hij met de hele situatie omgaat, dwingen een diep respect bij mij af. Als hij klaar is en de kamer verlaat bedank ik hem dan ook hartelijk.

Als ze eenmaal weer in bed is, beginnen er flarden van gedachten door haar hoofd te zweven en ze vraagt: “herinner jij je Josefine, ons buurmeisje nog”. Ze kijkt me niet recht aan en is in een ver verleden, ergens in haar jeugd beland. Haar ogen vallen bijna dicht, ze zakken steeds weer naar beneden en ze probeert uit alle macht ze open te houden. “Mam, ga toch lekker slapen, je ogen vallen steeds dicht, geef er nou aan toe, je bent gewoon hartstikke moe, mam.”

“Jij hebt makkelijk praten, slapen, ha, je weet niet wat er allemaal nog moet gebeuren, waar is nou toch mijn tas, ik moet naar beneden” zegt ze, met de tas stijf in haar handen gedrukt.
Ze friemelt weer aan haar laken, het is nog steeds erg warm in de kamer, maar haar voeten moeten bedekt blijven. Zo af en toe pakt ze een fleece-dekentje dat ze dan weer over het laken drapeert, om het er daarna met dezelfde twijfelachtige bewegingen weer langzaam en verstrooid van af te halen. Ook haar schoenen moeten onder het bed staan. Dat kan ze niet controleren, ze is niet meer zo lenig met haar achtentachtig jaar, dus dat is dan mijn taak.

Moe als ze van al die regeltjes en controles wordt, laat ze haar hoofd zo nu en dan weer met een plof op het kussen vallen. Haar tas gaat open dicht, open en weer dicht. Als de tas weer dicht is zegt ze dat ze haar tas niet dicht krijgt. In eerste instantie ga ik er tegen in, maar al snel kom ik er achter dat dat geen zin heeft, dus ik doe de tas weer open en demonstratief (kijk mam!) de tas weer dicht. “Zo nu zit ie dicht, mam.”

Na lang praten weet ik haar ervan te overtuigen dat ze echt niets meer hoeft te doen, behalve dan te gaan slapen. Het kan ook de vermoeidheid zijn geweest, maar hoe het ook zij, ze is nu eindelijk in slaap gevallen. Het is 22.00 uur en ik besluit naar huis te gaan. Zonder haar gedag te zeggen – ben veel te blij dat ze eindelijk slaapt - sluip ik de gang op en wens de verpleger een prettige avond.

Twee dagen later ga ik weer naar haar toe. Deze keer ga ik in de ochtend, in de hoop haar in betere doen aan te treffen. Vol goede moed loop ik de gang van de 5e weer af. Bij de eerste aanblik zie ik al dat er niet veel is veranderd.
De verpleging komt nog even langs en na een uur, waarin ik praktisch geen contact met haar kan maken, zeg ik: “mam, ik ga even een sigaretje roken, ben zo weer terug en dan breng ik u met de rolstoel naar het restaurant, oké?”

Ik pak mijn tas en nog niet goed en wel bij de deur aangekomen hoor ik haar zeggen: “Ja, ja, net als twee dagen geleden zeker, je bent gewoon weggegaan, zonder ook maar even gedag te zeggen!” “Gewoon in de steek gelaten!”
Beschaamd draai ik me om, ontmoet haar verwijtende blik en weet niet hoe snel ik weer moet gaan zitten. “Goed, ik wacht wel even, ik rook hem straks wel” zeg ik.

Het is tijd om haar naar beneden te brengen. Haar rolstoel schuif ik aan bij haar tafelgenoot. Even streel ik haar over haar inmiddels dunner geworden grijze haren, geef haar een zoen op haar wang en zeg “dag lieverd, wel goed eten hoor!”

Eenmaal buiten slaak ik een diepe zucht en terwijl ik op de fiets stap, komen de woorden ‘gewoon in de steek gelaten!’, herhaaldelijk naar boven. Natuurlijk besef ik dat het onzin is, maar het duurt een hele tijd, voordat ik dit nare schuldgevoel van mij af kan zetten. Ach mam.
Deze dag heb ik dubbel afscheid van je genomen...

Schrijver: Els van Gaalen, 4 jul. 2009


Geplaatst in de categorie: afscheid

2,7 met 12 stemmen 1.075



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)