Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 3141):

Dancing derwisj

(voor Arnon Grunberg)

Onder zijn chaotische krullenbol gaapt het parelende fakirbrein, besmeurd met venijnige Woody Allen-saus, wit bepoederd als een verwijfde edelman uit de pruikentijd.
In zijn kristalheldere onderbewuste kruipen de wijze cobra's van de kabbala, al doen zijn geschriften het tegendeel vermoeden, camouflagetechnieken zijn hem niet vreemd.
Als gekroonde rat gaat hij gekleed in een hermelijnen mantel van vlijmscherpe woorden, ontdaan van iedere charme, die misleiding in het vaandel voert.
Deze glimmende panfluitpiraat met cocabladeren onder zijn vilten toverhoed strooit blijmoedig met zijn bordeelrondelen en zijn zogenaamd nonchalante kwajongensstreken.
De mysterieuze wijzen brachten deze jongbelegen studiepik enkele gouden bekers gevuld met ochtendgloren, boeken met zuivere tekens, onoverwinnelijk godenbloed.
Hogepriesters kaapten zijn adem.
Hij ziet lachende gnomen achter serieuze kakmadams met mierzoete drilpuddingen en huiverende bavianenkonten in de aanbieding, een vrijbrief voor zijn ontregeld niveau.
Als een bizarre clown met spijthiaten hekelt hij de weelde van het aardse vergif en de trieste draaikolken van de gekte.

Vroeger droomde hij van een bril, die dwars door alle vrouwenkleren keek, nu kijkt hij recht in hun wellustige zielen, met hypnotiserende panterogen.
De kleren volgen vanzelf, ruilhandel graag, want hun verborgen taal bemint hij meer dan het zichtbare genot. Zeker Baudelaire gelezen. Wat dondert dat, hij kan hun geile bruidsjurken en de peperdure theeserviezen niet meer dragen, beter kan hij zichzelf als een dolgedraaide mol in een doedelzak verstoppen, overtuigd van het feit dat Johnny Walker daar zijn wandelingen voortzet.

Alle schrijvers hebben het recht op een volslagen dronkenschap om hun schrijverschap te vergeten en de krankzinnige ellende die daaraan vooraf gaat.
Hij verlangt naar de Egyptische prinses op haar lichtbruine sandalen, langs de sappige dijbenen van deze Cheops-piramide zoekt hij naar een geheime ingang, waar hij nieuwe goden en godinnen vindt, te lang opgesloten en popelend van ongeduld om hem te helen met de tedere lavastromen uit het Hoogste Rijk.
Hij ontmoet oppervlakkige kanariepietjes, verstikt door hun strakke verendracht en in hun monsterlijke mammoetschoenen lijken zij op logge hoefdieren, die zichzelf wanstaltig verminken. Binnen hun schedels is het nacht, voortdurend nacht, als het zwart van hun tentakels, met harten die kloppen als heimachines op een bevroren noordpoolvlakte.
Hij heeft zijn hersens niet in een hangmat gelegd, als een hazewindhond met kuren snelt hij over een prikkelend borstenparcours, werpend met zijn afschrikwekkende maskers, keer op keer.
Maar op het wrede slagveld is de wijze nar evengoed een luchtspiegeling. Dat weet hij, hij wenst dan ook evengoed een vreemdeling te blijven, een bijzondere outcast onder de aardlingen.
Profetenwaan? Een yupachtige, falling XTC-derwisj? Een wietplantage in zijn grommende darmen? Vanwaar al die lachwekkende buitelingen van gekunstelde, haarfijne muizenissen?
In een madeliefje vindt hij zijn vezels terug en in een zandkorrel zijn verloren gedachtenwereld.
De aria van een wolf blindeert hem, terwijl het harpspel van een lieveheersbeestje zijn zinnen opent.
Hij is de kakatoe in zijn spijkernest, het weekdier in de diepten van de oceaan, de herontdekte Inca-ruïne, overwoekerd door eeuwen van kosmische dans en wereldwijde bijeengekomen magie.
Hij poetst zijn gouden tralies en de scharnieren van zijn Dracula-gebit, zijn angsten zijn de wanen die hij uitspuugt.
Wanneer hij beweegt, rammelen de geslepen diamanten in zijn onderbuik, een symphonie van vasthoudende klanken.
Hij is de lachende sfinx, hij telt zijn schatkisten rondom zijn droeve imperium, luchtkasteel van letters, letters zijn sluipmoordenaars, houtwormen die hem uithollen.
Hij drinkt uit de psychedelische cactussen als een tevreden hangbuikzwijn, hij overwint zijn gedaante als zoetwatervis in de Sahara, als een raket schiet hij door de aardlagen van eentonige lethargie omhoog, een Woody Woodpecker in aktie.

Maar in zijn verblindende gokpaleis schuifelen miezerige troeteldames met giftig schuimgebak, onder hun schaapachtig fatsoen ziet hij de kwijlende dubbelgangers van hun half-geopende monden boven de aanlokkelijkste verdwaalbergen. Wederom zenuwslopende aria's. Er staan vergeelde tabaksplanten op de akkers van een schizo-allene God in glittersmoking en manden vol getraumatiseerde stengels, daartussen liggen zijn kostbare schrijfvingers, loom en onverschillig, lijdzaam verzonken en vermalen in een subliem gespeelde rol als wakker onkruid van een verborgen orde.
Toch denk ik dat er in de armen van geest, de lege bovenkamers, opslagplaatsen voor woordenloze goden, hoger plannen worden gesmeedt, dan in deze op hol geslagen, manische Titanic.

Illustratie: (voor Arnon Grunberg)
Schrijver: Joanan Rutgers, 22 sep. 2009


Geplaatst in de categorie: taal

4,0 met 3 stemmen 274



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)