Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Bij een minnares in de biechtstoel (17)

Tijdens mijn intrede had de moeder van deze abt gezegd, dat ik zo op haar zoon leek, een gegeven dat mij destijds toen ik zo suïcidaal was danig verwarde.
Maar het was anders natuurlijk, ik projecteerde mijn angst voor de dood, die zich merkwaardig genoeg had vastgebeten in een verlangen naar de dood. Ik zag overal spoken, achter iedere deur en in iedere donkere hoek en die waren er genoeg.
Ik heb begrepen dat elke begeerte uitdoofde, zelfs mijn begeerte naar jou toe, ik wilde de sporen van mijn leven wissen, rigoreus.
Ik zat gevangen in de absolute wanhoop, ik zeg, de absolute wanhoop! De dromen hielden me niet meer in leven, de hoop op redding evenmin.
Ik ontwaakte en ik had het koud. Steenkoud. Ondraaglijk koud.
Okay, daar ga ik dan nog een keer, op papier dan: hoe het kloosterlijk gevang afliep. Ik hoorde het hoefgetrappel van het Paard des Doods. Mijn psyche verkilde tussen die naargeestige kloostermuren.
'Mijn gedachten zijn een zee, ze spoelen verdrietig aan hun grenzen', zei Nescio zo treffend. Zou ik net als Japi van een grote brug stappen? Of kon ik maar beter de nachtelijke zee in zwemmen, net zo lang tot ik van onderkoeling en uitputting verzuipen zou? Als het ware weer terug de Baarmoeder in, alsof ik nooit geleefd had en volgens mijn psychiaters had ik dat ook niet echt, maar klopte dat wel? Ze doelden klaarblijkelijk op mijn levenloze overlevingssystemen en de levensbedreigende situatie bij mijn ouders.
Nu was het ook gruwelijk in al die vervloekte pastorieën, al die geestwurgende gekkenhuizen. Maar ik heb geen zin meer om mijn verleden te analyseren, dat heb ik meer dan genoeg gedaan, mijn laatste psychiater noemde me cum laude geslaagd, als patiënt dan, overigens een uiterst bekwaam psychiater voor wie ik veel respect bewaar.
Misschien zit ik nu wel op het niveau van een psychiater, wie zal het zeggen.
Ach, arm poesje, geleefd heb ik, dat kan ik gerust stellen, geleefd als geen ander. Vergeef me mijn mankementen en vergeef me het schaamteloze feit, dat ik geen blad voor de mond neem, nu de bloeddorstige tanden van de leeuw opnieuw voor mijn gezicht verschijnen. Er ontstaat altijd volstrekte openhartigheid op de drempel naar de eeuwigheid, maar laat ik niet vergeten dat ik het nog over die meest eenzame nacht in mijn bestaan moet hebben. Het was de lokroep van de alcohol, het was de lokroep van de dood, of in wezen was het eerst de lokroep van de dood, in de bevallige vorm van een geile Lorelei.
Was jij mijn Lorelei?
Was zuster X het?
Of was er een sluwe Lorelei, die ik tot nu toe niet ontmaskerd heb?
In ieder geval ben ik door een vrouw of de Vrouw naar de dood toe getrokken. Of is dit een dwaze hersenschim en zit die Lorelei gewoon in mijn eigen hart, is mijn hart verhard, hard als een rots en heeft zij haar intrede gedaan? In ieder geval was ik ongeveer een jaar na mijn slaappillen prooi van een volgende inzinking. Deze keer was het explosief. Wellicht had ik mijn zelfbeheersing in de permanente rand-psychotische toestand verloren en kelderde ik naar een ongrijpbare psychose.
Vergeet niet dat 'psychose' maar een duur en zwaarbeladen woord is. Hecht maar niet te veel waarde aan al die labyrintische termen en stigmatiserende etiketten. Heel de wereld is hysterisch!
Welnu, ik had al enkele glazen rode wijn naar binnen geslagen en ik belde ex-vriendinnen op. Allemaal zeer hopeloos, maar ik zocht de troost van een jonge vrouwenstem. Ik had beet, het was zo'n ingedeukte del van een streng gelovige kerkgemeenschap. Ik stond na de completen beschonken met haar te bellen in een geluidsdichte cel. Alles bestond verdomme uit cellen daar, ik kreeg er een cellulaire tic van! Mijn gesprekspartner had het over de liefde van God, terwijl ik toch duidelijk niet van gisteren was en haar niet had gebeld om dat gezever te horen. Ik herinnerde me hoe ze ooit op bezoek was geweest en hoe we naar 'Rambo' waren geweest, de drank daarna en mijn mondkus op haar geile vissebekkie. Dat was vlak bij de zee, mijn geliefde zee, waar ik eens gespeeld heb met een zwart-witte zwerfhond. Na die kus dacht ik: 'Ha, 'Een zwerver verliefd', Arthur van Schendel!'.
Nooit nam ik mezelf serieus, altijd deed ik mijn ware zelf af met een of andere literaire gedachte. Maar die ene kus had een grote invloed, het zette heel wat erotische dromen in werking. Ik weet nog goed hoe zij op een keer in een gastenkamer naast mij zat, tesamen met een andere, ondeugende vriendin. Twee perverse zusters, die in mij een hapklare 'bejaarde' zagen. Die ene had me zelfs gevraagd wat er toch onder dat habijt zat en direct daarna volgde dan een doorzichtig lachsalvo, terwijl ik, dom dom dom, gewoon zat uit te leggen, dat ik daar een broek onder droeg. Wel had ik aan mijn linkerzijde opgemerkt, dat mijn bezoekster met haar kont omhoog schoot, een reflex, die zichtbaar verraadde waar haar energie zat, volop in haar sex-chacra.
In gedachten zag ik het nog vaak terug, die omhoog schietende zwarte kut, dat vochtig en wippend mij verleidde, een zogenaamd luchtwipje. God, wat had ik haar graag hard gepakt, als in die verboden pornofilm, of zoals Rambo kon vechten. Een van die hete giechelkonten had ik dus op die bewuste avond aan de lijn. Ik wilde die avond dood, ja, maar wat ik ten diepste wilde, was met een vrouw naar bed gaan, neuken, neuken en nog eens neuken. Kun jij je voorstellen hoezeer ik geblokkeerd was, hoezeer ik ingemetseld was?
Ik las over een heilige non uit Schotland, die zich vrijwillig had laten inmetselen. Op een vreemde manier voelde ik sympathie voor deze vrouw. Ik deed emotioneel niet voor haar onder. Alleen werd mijn God getransformeerd in een onstuimig verlangen naar de erotiek of de dood.

Schrijver: Joanan Rutgers, 1 feb. 2010


Geplaatst in de categorie: eenzaamheid

3,3 met 7 stemmen 230



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)