Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Einde verhaal

Stap voor stap, tree na tree, gaat zijn adem zwaarder.

[Waarom ben ik niet met de lift gegaan, denkt hij. 28 verdiepingen zijn toch niet bedoeld om lopend te doen, so why?]

Toen hij vanmorgen was opgestaan voelde hij geen pijn. Had hij geen herinneringen, geen twijfel.

[Kan het waar zijn? Vandaag dus. Eindelijk.]

Gewone kleren had hij aangetrokken. Scheren hoefde niet. Gek dat hij om dat idee moest lachen. Makkelijke schoenen, want hij zou lopen.
De hele weg.
Het gebouw had hij al eerder verkend. Vele malen en grondig. 31 verdiepingen hoog. Het had een plat dak maar daar kon je niet komen. Maar op de 28ste etage kon je buiten komen, ongezien, in een doodlopende gang via de nooduitgang. 28 hoog, het zou ruim afdoende zijn. En eronder was geen verkeer, liepen geen mensen.

[Lopen is beter. Geen bus of taxi. Inner world. Nu geen afleiding meer, dit is het enige wat er nog te doen is.]

De afspraak had hij vooraf geregeld, anders kwam je er niet in.
‘Voor wie komt u?’ vroeg de receptioniste.
‘Ik heb een afspraak met mr. W. Williams’.
‘Ja, dat klopt, hier is uw pasje’.
Bij Williams liep het altijd uit, dus zouden ze hem pas over een half uur gaan zoeken. De klok in de hal gaf halfdrie aan.

[Is mijn mobieltje uit? Heb ik mijn pasje?]

Ze kenden hem en lieten hem in de hal met rust. Hij liep naar een plek vlak bij de trap. De receptioniste kon hem al niet meer zien. Nu de trap op. In hoog tempo nam hij de treden.

[Naar boven, naar boven. Naar boven, en dan, en dan - einde verhaal, boek dicht.]

De eerste trappen gaan snel.
Zijn ritme stokt, zijn pas vertraagt. Nog een halve trap.

[Stop met denken. Het gaat goed, ik voel me goed, er is geen twijfel. En dan, en dan…
Ik voel geen pijn meer, niks, niks. Ik hoor nergens. Thuis niet. En hier in dit fucking life niet.]

Hij is er, loopt rustig naar de nooduitgang en kijkt vluchtig op zijn horloge.

[Tien voor drie. Tijd genoeg. Now or never. Drie uur dus.
Wat gaat het makkelijk. Precies zoals gepland.
De haldeur, het balkon. Daar: de wind, de lucht, het uitzicht. Wat een uitzicht. Nou het dak op, de richel op, niet aarzelen, voor je uit kijken.]

Nog twee passen opzij, dan is hij uit het zicht. Wie kan hem hier zien? Nog even - hij voelt nu de vrije diepte onder zich. Daaronder is het leeg, geen verkeer, geen mensen, dat weet hij toch? Niet naar beneden kijken nog…
Een steek schiet door zijn borst. Iets warms, zachts voelt hij tegen zijn rechterarm. Hij hoort ademhalen, snel in en uit. Niet van hem. Daar staat iemand. Een vrouw. In een dikke bruine jas. Hij trekt zijn hand terug die op haar mouw rustte. Waarom schrikt zij niet? Ze kijkt strak voor zich uit, hijgt snel. Heeft zij hem opgemerkt? Hij volgt de lijn van haar gestalte naar beneden. Haar gehandschoende hand hangt slap tegen zijn arm. De bruine jas houdt op even boven haar knie. Weer flitst een steek door zijn borst; naast haar spijkerbroek ziet hij autootjes onder zich krioelen. Hij duizelt.

[Shit! Niet naar beneden kijken.]

Zijn blik gaat weer naar haar hoofd. Nu pas ziet hij dat ze een muts tot over haar oren heeft getrokken.

[Nee, ze ziet me niet.]

‘Ga weg’, zegt ze, nauwelijks hoorbaar.
Ze zegt nog wat, prevelt iets, maar de wind slokt alles op.

[Wat denkt ze, wat zei ze, waarom is ze hier?]

Haar ogen staan nog steeds in trance, strak vooruit gericht. Hij moet naar haar kijken, gaat helemaal in haar op.

[De tijd, is het tijd?]

Hij heft zijn pols op om niet naar beneden te hoeven kijken: drie minuten voor drie.
‘Lieveling’ zegt ze.
Hij hoort het woord maar weet dat het niet voor hem is bestemd.

[Zij heeft iemand lief en toch staat ze hier?]

Plotseling komt een gedachte bij hem op.
Hij moet schreeuwen om boven de wind uit te komen:
‘Samen?!’ roept hij vragend.
Zij draait haar hoofd eerst van hem af, dan langzaam naar hem toe.
Heel even hebben ze oogcontact. Wat ziet hij in haar ogen?

[Angst? Verdriet? Paniek?
Ja, paniek.]

Ze kijkt weer voor zich uit.
Hij verstaat haar niet maar op haar lippen leest hij haar woorden.
‘Samen’ zegt ze.
Uitdrukkingsloos staart ze als haar lippen prevelen.
Hij voelt dat zij allerlei beelden voor zich ziet. Welke? Hij ziet hoe haar benen zich spannen, hoe haar knieën licht buigen, hoe ze even naar beneden kijkt.
Hij voelt haar hand, haar handschoen raakt even zijn handpalm. Ze kijkt hem aan vraagt:
‘Samen?’

[Dus zo moet het zijn.
Maar als ik dit voel...]

‘Denk aan de mensen…’, schreeuwt hij, ‘…hoe ze ons zullen vinden!’
Hij heeft hier vaak over nagedacht. Of je nu van een toren afspringt, of op de rails gaat liggen: altijd zullen er mensen zijn – onschuldigen - die je verminkte lichaam moeten vinden, moeten oprapen, moeten opruimen.
Hij schreeuwt weer:
‘We mogen het ze niet aandoen!’ roept hij.

[Natuurlijk mag ik het ze aandoen. Ze hebben niet anders verdiend. Ongevoelige klootzakken zijn het. Bastards. De kranten halen we niet eens. Voor het avondnieuws zijn we allang vergeten. De stoep schoon gespoten.
Maar ik voel iets, something real.]

Ze kijkt hem aan, recht in de ogen en zegt zacht maar duidelijk hoorbaar:
‘Samen. Lieveling. Samen.’
Hij ademt haar woorden in. Ze galmen door zijn bestaan. Dan kijkt hij omhoog en ziet de wolken. Grijs, wit en daartussen de blauwe lucht.

[Wat een diepte. Waarom heb ik die luchten nooit eerder gezien?]

Weer schreeuwt hij en nu uit volle borst:
‘Samen!’
Hun handen tasten naar de ander.
Vingers haken in elkaar.
Vaster.
Als een lichaam met vier benen zetten ze af. Omhoog zweven ze. Naar de wolken. Samen zijn ze, voor het eerst van hun leven.

Schrijver: George Knottnerus, 12 feb. 2010


Geplaatst in de categorie: eenzaamheid

5,0 met 7 stemmen 170



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)