Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Bonheur

Ik ben moe. En als ik moe ben is het voor Woemi nog erger. Maar het moet gezegd, ze heeft zich geweerd als een tijger. Zoals toen we voor het laatst weer stijl omhoog moesten. Ze kankert en godvert, klaagt: ‘Het is niet eerlijk', en begint langzaam maar stug klimmend aan de grote finale van een lange wandeldag.
Dan, eindelijk, de top van de pas, en niet veel verder: de hut. Nog geen tien minuten strompelen. De hut. Hij is groot, maar slechts een handvol wandelaars hebben deze regendag benut om van de lift af de mooie en niet te lange wandeling naar boven te maken. En nog minder zijn zo gek geweest om eerst even een driezuizender te pakken. Wat moet je er doen? Het is er koud en je ziet geen bal.
Een voordeel: Woemi ziet de peilloze diepte niet, handig voor iemand waarvoor het keukentrapje soms al onmogelijk is.
Ik vind het een prestatie. Op de terugweg treffen we twee landgenoten die in rap tempo omhoog klimmen.
'Nog naar de top?' vragen we. Het is zelfs in hun tempo nog zeker ruim anderhalf uur, en dan nog terug, dan gaat de tijd toch echt dringen.
'Naar het hutje' antwoorden de twee welgemutst. Een onverwarmde, onbemande bivac, we hebben hem zien liggen op de steile helling, alleen bereikbaar door het Geröll. Losse steentjes, waar je goed je hakken in moet zetten om niet net zo hard naar beneden te donderen als je klimt, als je pech hebt nog een beetje verder. Die kortere route hebben we maar gelaten voor wat het was. De maagd Maria op de top beschermt niet tegen elk gevaar.
Die twee, dat moeten wel echte bikkels zijn. Woemi is nieuwsgierig en probeert uit te vogelen hoe en wat. Maar veel laten ze niet los. Een schrijft er boekjes, adviseert ons een betere camping voor als we weer terug zijn en verder moeten we maar beneden vragen. En Woemi zou Woemi niet zijn als ze alles tot op de bodem uitzoekt. Ze vraagt het op de camping, ze googlet in het rond, maar een collega geeft de beslissende tip. En ze vindt hem, ooit deelnemer van een klimexpeditie naar de top van Mount Everest, nu kenner en ambassadeur van het gebied.

Die hakken, tja, dat is Woemi’s zwak. Omdat ze ze niet goed stevig neerzet slipt ze regelmatig weg. En dan dat mooie lopen van haar. Regelmatig staat ze eng met twee voeten kaarsrecht naast elkaar op een steen te balanceren.
‘Je moet waggelen als een zeeman bij ruw weer’ doe ik voor.
‘Niet je voeten naast elkaar zetten, steeds een hele stap nemen’
‘Je hakken op de grond’. Zelfs Frans ziet het gelijk met zijn kennersblik.
‘Niet sjokken, rechtop lopen’.
En vooral: ‘een tempo houden’. Woemi wil wel eens een sprintje trekken, alsof het een duintje betreft, en niet een urenlange klim. Natuurlijk wordt ze gek van al mijn goedbedoelde aanwijzingen.
‘Kan je nu niet een tel even je bek houden?’ bijt ze me toe. Gezellig, dat bergwandelen.

Maar nu zijn we er. Geen douche, geen warm water. Hooguit achttien graden en een piepklein straalkacheltje in de gelagkamer. Ik doe alles aan wat ik bij me heb. Nat, droog, schoon, vuil. Het is de beste manier om toch een beetje warm te worden weet ik. Een uitkomst zijn de wasdoekjes van het werk. Ze maken je huid droog en je ruikt zelfs weer even naar stadsmens.
Mijn drijfnatte sokken gaan naast die van een jongen op het straalkacheltje. We raken aan de praat. Een geoloog in wording, bezig aan zijn afstudeeropdracht. De professor heeft hem wat mooie sites gewezen, nu is hij alleen.
‘Is dan niet alles al bekend?’ Volgens Cornelis moet je het zonnestelsel zo’n beetje uitvliegen om nog wat nieuws te ontdekken. De jongen lacht. Nee dus. Hij laat ons wat stenen zien. Zelfs de kleuren benoem ik fout. Het is geen zwart, het is donkergroen. Ok dan. Hij noemt een ingewikkelde naam van het mineraal dat we kunnen zien. “Zal bij jullie ook wel zo heten’. Zal wel ja. Wat kan een mens zich klein en dom voelen.
Woemi vindt het een leuke jongen, natuurlijk, welke jongen vindt ze niet leuk?, maar stenen, dat is haar ding niet. En dan dat lullen in het Duits, zo vermoeiend.

Nee, dan buiten. Daar is het begonnen met sneeuwen. Woemi drukt haar neus tegen het raam en maakt wat foto’s.
‘Mooi’ zegt ze dromerig. Wat kou, vermoeidheid, blaren, andere ellende? Ze is gelukkig.
Hoe we hier ooit weg moeten komen is me vooralsnog een raadsel. Mijn sigaret buiten rook ik niet op. Koud, onwijs. Maar mooi is het, dat moet gezegd.
Maar de volgende ochtend schijnt de zon. De wereld om ons heen is wit. Ik wijs Woemi de maagd die je met enige fantasie op de top kan zien schitteren.
‘Daar was je gisteren’ zeg ik.
‘Goed hè?’ antwoordt ze trots. Ja, heel goed.
Dan buigt ze zich met wat Italianen over de kaart die de huttenwaard op een tafel heeft uitgevouwen. Dat bergmeer, dat moet haalbaar zijn.
‘Gaan we?’ vraagt ze ongeduldig en enthousiast geworden. De bergen door, door de sneeuw ploegen op een zomerdag. Mooier is er niet.

Schrijver: jorrit, 27 sep. 2010


Geplaatst in de categorie: vakantie

3,8 met 4 stemmen 234



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)