Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

De eindelozen

Ze kwamen van ver maar dat deed er niet toe. Waar ze vandaan kwamen was van een achterhaalde betekenis. Dat ze er waren was van belang, zoals ze daar stonden, aan de andere kant van het helderblauwe houten tuinhekje dat amper tot hun knieën kwam.
Ze waren lang, mager en met z’n tweeën, man en vrouw, gekleed in vormeloze kleding met de bruine kleuren van geologische lagen: hij een broek, zij een rok tot op haar enkels, identieke jasjes bijeengehouden door koord. Stoffige schoenen eronder, wandelschoenen maar dat spreekt vanzelf als je van ver komt. Maar zoals gezegd, dat deed er niet meer toe. Geen bagage, trouwens.

Ik bekeek ze vanuit de deuropening. Ze keken niet terug, hun blikken vielen halverwege het tuinpad op aangestampt grind. Wat deden ze daar, achter mijn tuinhekje? Wat wilden ze? Zouden ze me begrijpen als ik het vroeg en hoe kwam ik in vredesnaam op die gedachte?

Een uur eerder had ik ze voor het eerst gezien, op precies dezelfde plek. Ik keek op uit het boek dat ik in de voorkamer aan te het lezen was en zag ze achter het tuinhekje staan. Die zullen wel verkeerd zijn, dacht ik. Of Jehova Getuigen. In ieder geval niet belangrijk genoeg om mijn krant voor te laten liggen. Ik nam een slok koffie en dook weer in het boek. Drie hoofdstukken later stonden ze er nog steeds en ging ik kijken.

‘Hallo,’ zei ik. Geen reactie, hooguit een onrustig flakkeren van de ogen. Ik liep naar buiten en bleef bij het hekje staan. Geen verandering. Alsof ik twee zandstenen sculpturen voor mijn huis had staan. Ik opende het hekje en deed gelijk twee stappen terug terwijl het tweetal evenveel stappen vooruit deed en vlak voor me bleef stilstaan. Ik voelde hun adem tegen mijn gezicht wat geen prettige ervaring was zodat ik weer een stap terug deed die geen verandering bracht in de ontstane situatie omdat zij de afstand matchten met een even grote stap naar voren. Dus deed ik een stap opzij.

Dat hielp. Ze liepen langs me heen het tuinpad over het huis in. daar trof ik ze achterin de gang aan bij de keukendeur. Via de voorkamer en de achterkamer liep ik om naar de keuken, deed de keukendeur vanuit de keuken open en kon nog net op tijd opzij stappen terwijl zij langs me heen liepen naar de achterdeur. Nu begon ik een patroon te herkennen, reikte langs de man naar de deurkruk van de achterdeur, opende de deur, volgde het stel door de achtertuin en opende daar de poort die de tuin afgrensde van het erachter gelegen akkerland. Ik keek het stel na hoe ze over de braakliggende akker liepen totdat ze aan de horizon uit het zicht verdwenen.

’S avonds vertelde ik het hele verhaal aan mijn vrouw.
‘O, dat waren eindelozen’, zei ze.
‘Eindelozen?’
‘Mensen die geen einde kennen. Nooit van gehoord?’
‘Nee.’
‘Ze gaan maar door en door en door, heel vermoeiend.’
Ik moet verbaasd hebben gekeken, want ze zei: ‘Echt waar, je ziet ze de laatste tijd steeds vaker. Vorige week vond Judith er eentje die achter in haar tuin een gat aan het graven was. Vlak naast haar gladiolen. Erg vervelend, je weet hoe trots ze is op haar gladiolen. Die vent had ze bedolven onder het zand. Helemaal plat. Ze was in tranen.’
‘En wat heeft ze eraan gedaan?’
‘Niets. Je kunt er niets aan doen, weet je. Hopeloos.’
‘En die man, die eindeloze?’
‘Hoe bedoel je?’
‘Is die nog steeds aan het graven?’
‘Wat denk je?’

Schrijver: Gerard Willems, 1 apr. 2011


Geplaatst in de categorie: humor

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 119



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)