Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 4127):

Androgyne hoogbegaafde

(voor Stephen Harold Spender (1909 - 1995))

Je bent geboren in 1909 te Kensington, Londen, waar je vader Edward de kost verdiende als journalist, dichter en kunstschilder. Je half-joodse moeder Violet bracht je naar de Hall School in Hampstead, een van de mooiste wijken van Londen. Ze had een scherp inzichtelijk vermogen. Later ging je naar een ouderwetse kostschool in Worthing, een winderig zeestadje, waar je zeer ongelukkig was. Het liefste slenterde je langs de vloedlijn, op zoek naar aangespoelde zeeschatten. Na het overlijden van je moeder bezocht je de University College School in Hampstead. God, wat miste je je moeder! Maar je zou de wereld laten zien dat haar zoon heel wat te bieden had en je gedijde prima in die zachtaardige, vrouwelijke schoolsfeer. Gezien je uitstekende cijfers stoomde je door naar University College in Oxford, waar je bevriend raakte met intellectuele, literaire, sexy mannen. De studie maakte je oververhit en in de nachten zocht je verkoeling bij talloze glazen bier en wijn, samen met andere verwijfde feestvierders. Menige dronkenschap eindigde in een zoete verstrengeling met een naakte studiegenoot en je was al gauw een felbegeerde hoofdprijs binnen de clan van praktiserende herenliefde. Zonder een doctorale graad reisde je naar Weimar om de Duitse studiesferen te toetsen en om je opengebarsten geaardheid nog meer ruimte te geven. Je was begin twintig en je ontmoette Christopher Isherwood, die ook in Weimar ronddartelde. Auden was er ook neergestreken, het leek wel een dependance van Oxford. Je was begonnen aan je roman 'De tempel', waarin je aangemoedigd werd door de Duitse werkelijkheid, die destijds veel vrijheid voor jonge homo's uitstraalde. Het was nog een niemandsland, waarin niemand op afgebakende wetten hamerde, ook al hing de terreur van schreeuwlelijk snorremans in de lucht. Je debuteerde met 'Negen Experimenten', in 1930 opgevolgd door 'Twintig gedichten'. Je bedreef de liefde met Auden en hij zou je grootste vriend blijven, ook je grootste voorbeeld. Het was één grote mannenorgie daar, een luilekkerland voor roze rakkers. Maar je besloot om heldhaftig naar Spanje af te reizen om daadwerkelijk tegen het schrikbewind van Franco te vechten en niet alleen met een geweer in de aanslag, maar ook via realistische verslagen. Terwijl je het werk van Bertold Brecht vertaalde, streelde een Spaanse jongeling je schokkende onderlichaam. Terug in Londen werd je afgekeurd voor militaire dienst, je ogen waren te slecht en een vroegere lintworm had je ondermijnd. Je was mede-oprichter van literaire tijdschriften en je boomde tot laat in de nachten met de Ierse poëten Louis en Cecil. Je werd smoorverliefd op Tony Hyndman, met wie je meer dan een jaar samenwoonde. Daarna had je een heftige, kortdurende affaire met Muriel, die je tenslotte met volle wijnflessen bekogelde. Van 1936 tot 1939 was je getrouwd met Inez Maria Pearn, maar ze vond je eten van twee walletjes maar gestoord. Tijdens de oorlog was je lid van de Londense brandweer, maar je fysieke branden bluste je zeker niet met water. In 1941 trouwde je met de ruimhartige, artistieke concertpianiste Natasha Litvin, die joods was en net als jij geboren in Londen. Tony was een van de getuigen. Op haar zestiende kreeg ze een beurs voor de Royal College of Music en later studeerde ze bij Arthur Benjamin. Jullie kregen samen twee kinderen, Lizzie en Matthew. Jij was o.a. bevriend met Yeats, Ted Hughes, Dylan Thomas, Eliot, Brodsky en Virginia Woolf. Jullie huis fungeerde als een krachtige magneet voor vele eigentijdse beroemdheden. Dylan had de gewoonte om zijn eigen fles whisky mee te nemen, bang dat hij niet genoeg kreeg. Ted is na de tragische zelfdoding van Sylvia een schim geworden van wie hij was, ook jullie hadden Sylvia nog gekend. Virginia was al in het begin van de oorlog voorgoed uit zicht verdwenen. Je werd poëzieprofessor aan de universiteit van Cincinnati, retoriekprofessor aan het Gresham College te Londen en professor Engels aan het University College te Londen. Ondanks je huwelijk had je nog geregeld sexuele affaires met jongemannen zoals de inspirerende Bryan, die je bijna je huwelijk kostte, maar in je werk verbloemde je deze intrinsieke verhoudingen. Je vrouw was zo wijs en ruim van visie dat ze die bijzaken volmondig goedkeurde. Ergens in de veertig moest ze vanwege borstkankereffecten haar pianocarrière stopzetten, want haar armspieren waren te zeer aangetast. Daarna werkte ze haar psychische muziekkennis succesvol uit. Te bedenken dat ze ooit een concert gaf aan de herstellende ex-gevangenen van Bergen-Belsen! Je bent nog geridderd tot Commandeur in de Orde van het Britse Rijk, vandaar Sir. In 1995, een jaar na je bundel 'Dolfijnen', werd je getroffen door hartfalen en je stierf in Westminster, hartje Londen, met Natasha en je kinderen innig omarmend aan je zijde. De Big Ben sloeg die dag extra doordringend voor jou. Tony kuste je roerloze lippen en jij kuste hem terug. In wezen had je hart nooit gefaald en zou het in de eeuwigheid niet falen. Van faalangst kon je hart zeker niet worden beticht. Het was maar een symbolische geste. Vijftien jaar later stierf je echtgenote, die meer geheimen meenam dan dat ze achterliet en terecht. De artistiekloze wereld moet maar tevreden zijn met onbeduidende roddels.

Illustratie: Stephen Harold Spender
Schrijver: Joanan Rutgers, 5 sep. 2011


Geplaatst in de categorie: literatuur

Er is nog niet op deze inzending gestemd. 145



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)