start toeval vragen forum links zoek contact gastenboek inhoud

Categorieën:

actualiteit (138)
adel (13)
afscheid (116)
algemeen (330)
bedankt (25)
biologie (13)
dieren (241)
discriminatie (38)
drank (48)
economie (23)
eenzaamheid (179)
emoties (169)
erotiek (68)
ex-liefde (64)
familie (113)
feest (41)
film (3)
filosofie (146)
fotografie (6)
geboorte (23)
geld (33)
geschiedenis (30)
geweld (46)
haiku (5)
heelal (38)
hobby (32)
humor (385)
huwelijk (40)
idool (42)
individu (62)
internet (29)
jaargetijden (53)
kerstmis (79)
kinderen (174)
koningshuis (22)
kunst (48)
landschap (15)
lichaam (38)
liefde (257)
literatuur (352)
maatschappij (158)
mannen (34)
milieu (14)
misdaad (119)
moederdag (11)
moraal (99)
muziek (41)
natuur (96)
oorlog (108)
ouderen (18)
ouders (36)
overig (129)
overlijden (79)
partner (55)
pesten (29)
planten (13)
politiek (50)
psychologie (114)
rampen (55)
reizen (132)
religie (143)
schilderkunst (20)
school (63)
sinterklaas (17)
sms (6)
songtekst (1)
spijt (26)
sport (80)
sterkte (2)
taal (43)
tijd (55)
toneel (10)
vaderdag (1)
vakantie (83)
valentijn (4)
verdriet (87)
verhuizen (13)
verjaardag (17)
verkeer (46)
voedsel (45)
vriendschap (84)
vrijheid (59)
vrouwen (87)
welzijn (54)
wereld (35)
werk (96)
wetenschap (18)
woede (60)
woonoord (87)
ziekte (153)

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 4898):

Vissen (2)

‘Zo nu eerst een kop koffie’ zei mijn vader die daaraan, naast zijn Caballero, behoorlijk verslaafd was mede omdat andere verslavende middelen in die tijd nog niet zo voorhanden waren en drank te duur was. Later, na zijn hartproblemen, nam hij elke avond twee glaasjes vieux. Dat moest van de dokter beweerde hij omdat het zijn bloed lekker dun hield.

Na de koffie werden de hengels klaar gemaakt en kon het feest beginnen. Mijn favoriete aas was een lekkere pier, het liefst een rooie, maar mijn vader viste altijd met brood of maden. ‘Eerst maar eens op de brasem’ zei hij en peilde met een loodje de diepte zodat hij zijn dobber goed kon afstellen. Bij brasemvissen dient het aas op de bodem te liggen en de pen van de dobber net iets boven het water uit te steken. Na het ingooien zag het er perfect uit. De dobber stond keurig recht met het puntje een paar centimeter boven het water uitstekend. Met pierenvissen stak het niet zo nauw. Dan maakte het niet veel uit waar de pier zich bevond tussen de bodem en het oppervlak. Als je paling wilde vangen moest ie echter wel op de bodem liggen.

De zon steeg langzaam aan de blauwe hemel en geen van de dobbers had nog een teken van leven laten zien. ‘Ik moet even plassen’, zei mijn vader en aangezien het geen roeiboot met toilet was moest dat over de rand van de boot plaatsvinden. Ik vond het een gênante vertoning je vader van zo dichtbij in het water te horen plassen. Ik dacht nog ‘daar gaan mijn palingen die zien we nooit meer terug’. Maar op dat moment, terwijl m’n vader z’n gulp stond dicht te knopen, gleed mijn dobber langzaam de diepte in. ‘Beet’, riep ik en mijn vader, bijna zijn evenwicht verliezend, zei: ‘nog even wachten laat hem goed doorbijten’. De dobber zag ik niet meer en de draad trok strak. Ik sloeg aan en voelde een behoorlijke weerstand. ‘Dat is een brasem’, zei mijn vader zonder twijfel in zijn stem,‘rustig aan ik pak het schepnet’. Na enig getrek kwam de vis boven en mijn vader had hem te pakken in zijn schepnet. Dat bleek achteraf geen goed idee te zijn geweest. De ‘zekere’ brasem bleek een grote paling te zijn. Het beest had zich al kronkelend behoorlijk in de mazen van het schetnep vastgewerkt, waarbij de visdraad vreselijk in de war was geraakt. Na een kwartier geprobeerd te hebben de draad er zonder kleerscheuren uit te halen had mijn vader er genoeg van en knipte de draad op meerdere plekken door. De paling was eerder op vakkundige wijze, door een slag op zijn kop met een kort stok hout, buiten westen geslagen en in een oude krant gewikkeld vanwege het slijm.
Mijn vader ving nog een mooie rietvoorn en een grote brasem en ik nog een aantal kleine baarsjes. De boterhammen waren intussen op. ‘We moesten maar eens weer die kant op,’ zei mijn vader om een uur of elf en schonk zich daarbij het laatste restje koffie in. De kopjes werden in het meerwater afgespoeld en net als de paling in een krant gewikkeld en in de tas gestopt. De overgebleven pieren gooide ik in het meer waarbij ik zei: ‘hier vreet maar op’. Op de terugweg mocht ik ook een stukje roeien.

In het café zaten sigaren rokende vissers elkaar sterke verhalen te vertellen over de enorme exemplaren die ze uit het water hadden getrokken of wat vaker voorkwam die net van de haak gesprongen waren voordat ze in het net zouden belanden. De glaasjes met jonge jenever dansten, ter bevestiging van de visverhalen, enthousiast op de tafeltjes heen en weer. Mijn vader betaalde de huur voor de boot en we fietsten zwijgend naar huis terug.

De paling werd door mijn moeder in hete boter gaar gebakken waarna mijn vader en ik elk een helft oppeuzelden. Zo had mijn moeder, net als in het begin, ook aan het eind nog een belangrijk aandeel geleverd aan de succesvolle visdag.

-wordt vervolgd-

Uit: Jeugd in Zuidlaren

Schrijver: Nico Noorman, 19-06-2013


niconoormanathotmail.com


Geplaatst in de categorie: algemeen

Deze inzending is 69 keer bekeken

5/5 sterren met 2 stemmen.



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)