Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Echoput

Na ongeveer drie uur te hebben gelopen door het heuvelachtige terrein, hield ik halt bij een huis aan een modderige landweg. Er stonden twee grote paarden en wat schapen in het veldje naast het huis. De rook die mij uit de schoorsteen tegemoet kwam mengde zich met de mist en herinnerden me aan de gebraden kalkoen van mijn grootmoeder.

Het had de gehele dag zacht maar onophoudelijk geregend. Alsof ik als spons door een enorme regenwolk was gewandeld, voelde ik mijn kleren, koud aan mijn lijf plakken. Alhoewel het pas twee uur ‘s middags was leek het of het al donker begon te worden, maar eigenlijk was het nooit echt licht geworden. Het koord met de sleutel om mijn nek schuurde over mijn schouders.

Ik wilde niets liever dan mij binnen aan de haard warmen, droge kleren uit mijn rugzak aantrekken, misschien iets eten. Maar ik moest verder, al wist ik niet waarheen.

Toen ik het hek van het kleine landgoed opende hoorde ik een hond aanslaan. Ik zag hem nergens maar blijkbaar hoorde hij mij wel. Halverwege het hek en de deur kwam een herdershond, vanachter het huis met een enorme vaart toegesneld.
Ik zette mij schrap en op het moment dat hij me naar mijn hals dreigde te vliegen leek het, alsof hij door een schot werd getroffen. Hij gleed uit op het gras, krabbelde razendsnel overeind en verdween jankend, in de richting van waaruit hij was gekomen.

Op dat moment zag ik dat de deur openstond. In de opening stond een vrouw met een blauwgrijs schort om. Ze had grijs, opgestoken haar en in haar hand een reuzachtig slagersmes. Hevig verontrust aarzelde ik om naar haar toe te lopen. Ik moest immers de weg vragen, in de wijde omtrek was geen ander huis te bekennen.

“Komt u toch verder vreemdeling.”, ze ze en lachte me vriendelijk toe.
”Trekt u zuidwaards, dan wijs ik u de weg. Gaat u in noordelijke richting dan zal ik dat ook doen.
Vertel mij nu waarheen u op weg bent.”
Mijn wantrouwen nam alleen maar toe. Hoe kon ze weten dat ik gekomen was om naar de weg te vragen
en waarom sprak ze deze cryptische zinnen?

“Wat bezielde uw hond?”, vroeg ik.
“Ik heb geen hond meer vreemdeling”, zei ze,
“die is jaren geleden verdronken in de beek.”
“Maar ik werd net aangevallen door een herdershond.”, opperde ik.
“U gaat naar het zuiden vermoed ik.”, zei ze zonder acht te slaan op mijn woorden en vervolgde, “Halverwege de weg die u ziet komt u bij een kruising. Daar gaat u rechtdoor en aan het einde, bij een flauwe bocht,
gaat u naar rechts en loopt u het bospad op. Vanaf hier is het nog twee uur gaans. Net na de kruising kunt u rusten bij een eenvoudig restaurant. U kunt hier ook wat eten, in de keuken staat een heerlijke soep te trekken, maar ik vermoed dat u verder wilt gaan, nu u er welhaast bent.” De woorden stokten in mijn keel en ze lachte opnieuw.

“Ik zal u wat proviand meegeven,”, zei ze nu, “dan hoeft u geen tijd te verliezen.” Ze draaide zich om en verdween in de duisternis van het huis.
In de vestibule hing een prent van een oogstende boer op een korenveld. Ik meende de prent ooit eerder te hebben gezien al wist ik niet waar. Daarnaast ontwaarde ik een foto. Nu pas zag ik dat het een herdershond was. Een grote angst maakte zich van mij meester en ik maakte aanstalten weg te lopen.

“Niet zo snel vreemdeling.”, hoorde ik vanuit de duisternis, “Hier heeft u een stuk brood en een worst voor onderweg.
Het zal u kracht geven voor de laatste klim door het bos.”
Ik bedankte haar, nam het brood en de worst en liep naar het hek.

“Treuzel niet onderweg,”, riep ze me na, “het wordt vroeg donker rond deze tijd van het jaar.”

Voortdurend bleef ik omkijken naar het huis. Bij het bospad aangekomen was het bijna donker. Ik hoorde het water in de beek stromen en vervolgde mijn weg naar boven. Ik durfde het brood en de worst niet te eten en gooide ze in de beek. Na enige tijd herkende ik de waterput en onmiddelijk daarachter de berghut. Het natte hout was bedekt met zilver-groene mossen. Het leek alsof het maanden onafgebroken had geregend. Ik haalde het koord met de sleutel onder mijn trui vandaan en opende de deur. Binnen was het behaaglijk warm, de haard brandde.

Onder het zwakke licht van de petroleumlamp boven de gedekte tafel, dampte een kalkoen op een glimmende schaal.
Naast de kalkoen lag een groot slagersmes en over de enige stoel in de hut, hing een blauwgrijs schort.

Ik liep naar buiten en gooide, zoals mijn grootmoeder me had opgedragen, het koord met de sleutel in de put en wachtte tot ik ‘m in het water hoorde vallen. Ik hoorde niets. Toen ik terugliep naar de hut, steeg er een zacht gejank van een hond op uit de put. Ik zag hem nergens maar blijkbaar hoorde hij mij wel. De gebraden kalkoen smaakte als vanouds.



(Rotterdam, 8 december 2004)

Schrijver: Karsten Viktor, 13 dec. 2004


Geplaatst in de categorie: algemeen

0,0 met 2 stemmen 569



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)