Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Poëzie?

In de rubriek 'Netcitaten' van www.nederlands.nl is een uitspraak van Frederik van Eeden geplaatst. Frederik van Eeden (1860-1932) was dichter, medicus, psychiater en stichter van een agrarische leefgemeenschap.

Zijn uitspraak:

Poëzie noem ik elk sterk en zuiver spreken, waarbij de taal kracht heeft niet alleen door abstracte betekenis, maar ook door haar klank, haar beeldende en muzikale uitdrukking. Zulk een taal behoeft geen vast metrum of rijm te hebben, maar wel altijd ritme en welluidendheid en klankrijkheid.

Dichterlijk hoeft geen blijvender waarde in zich te hebben volgens deze definitie. Opvallend is de centrale plek voor 'spreken'. Het lijkt alsof Van Eeden de eis meegeeft aan vastgelegde teksten om 'uitgesproken' pas tot volle wasdom te komen. En dat zonder vast metrum of rijm.

Wanneer is men dichterlijk en wanneer niet? Moet dat altijd in schrift zijn? Wat maakt het onderscheid spreek- en schrijftaal uit? Jacques Perk schreef al dat geschreven op gesproken woorden voor hebben dat zij 'kinderen zijn der rustige gedachten.'
Mooi gezegd, we kunnen vanuit het geschrevene letterlijk voorlezen maar ook improviseren. Iedere voordracht is verschillend, soms kan een spontane dichterlijkheid ontstaan vanachter het katheder. Zoals wij bij nalezing kunnen constateren.
Martinus Nijhoff heeft zich met deze vragen beziggehouden in 1935. En wel op een wijze die mij high, tipsy dan wel aangeschoten maakt. Ik zoek uw herkenning. Uiteraard vanuit een dergelijke gemoedstoestand.

Nijhoff moest een voordracht houden in Enschede en raakte in de war, kreeg als vriendenadvies:
'Het gesproken woord heeft een heel andere betovering dan het voorgelezene. Van je toehoorders lezers maken, is hen miskennen.' En: toehoorders houden er van dat 'de spreker verlegen is en tegelijk weet waar hij heen wil.'
En: de toehoorder hoopt juist die woorden te horen 'die ook bij hemzelf opkwamen, toen hij de spreker zag nadenken.'
Wow. Nou die zit zeg ik dan.

Maar… als de ‘ware’ spreker zijn publiek verwoordt waar is dan zijn eigen (litteraire) waarheid? Immers: de dichter spreekt….
Nijhoff stelt het nog even anders: in ’n gewoon gesprek spreek je naar ’n antwoord toe. Terwijl ‘bij een voordracht antwoordt niemand’, Dat is nauwelijks meer spreken te noemen.
Dan zegt Nijhoff’s adviseur:
‘Vibraties te verwachten uit een zaal is precies hetzelfde als mededelingen te ontvangen uit het eigen onderbewuste, wanneer men aan de schrijftafel zit.’

Kortom de ware voordrachtsdichter werkt dubbel aan zijn eeuwigheidswaarde. Hij schrijft zijn tekst door hogere machten in zich gedreven en deze komen door vibraties versterkt nog ‘welluidender, klankrijker en ritmischer’ achter het sprekersgestoelte tot uiting.
Wow: degenen(Trijntje? Willem Houtzager? J.P. Balkenende?) die zoeken naar de verbinding tussen poëzie en religie zullen de oren spitsen.

Nijhoff echter heeft een weerwoord. Hij zegt ‘Spreken is, als je wil, hardop denken.’
Maar bij schrijven en bij spreken voor een zaal krijgt hij ‘toewaaisels van binnen of van buiten.’ Kijk aan, geen influisteringen: "waaisels". Nijhoff vervolgt:
‘Schrijven is merkbaar leven.’ Hij vreest ‘niet hetzelfde levensgevoel te hebben’ bij het spreken.
Dát gaat ver! Spreken onmerkbaar leven…..?
Hij onderscheidt schrijven, spreken voor publieken en causeren.

Zo ook José de Ceulaer over Anton van Duinkerken:
‘je moet hem horen, zijn stembuigingen, soms aanzwellend en dan weer verzachtend, zijn lach er tussen die relativeert, de gemoedelijke ironie, de binnenpretjes, het gamma der korte interjecties, de steeds wisselende gevoelsnuanceringen: hij is een causeur….’
Van Duinkerken zelf zag zich in dit interview te verstandelijk geworden voor dichterschap: ‘Ik zal niet veel gevoelens in hun natuurlijke toestand kunnen laten, ik draag ze dan naar die kamer waar ze naar hun oorzaak en intensiteitsgraad gevraagd worden. Dat is tot schade van die.... spontane poëzie. Maar zo bèn ik!’

Maar, zou ik zeggen, als De Ceulaer een dergelijke ervaring, zoals hierboven geciteerd, van ‘de mens Van Duinkerken’ heeft, waarom noemt hij dát dan geen literatuur of kunst of.. …?

Dit wordt te verwarrend. Ook voor Nijhoff maar Dantesk zoals de echte dichter betaamt: ‘De engelen hebben geen taal, want wat zij waarnemen gaat bij hen onmiddellijk in een daad over. Zij zijn te gelukkig voor woorden.’
Lijkt op honden met een koekje.

Jasses, dus je moet als dichter ongelukkig zijn. Dat komt er ook nog bij. Verduveld, Pierre H. Dubois zei, dichterschap komt voort uit de ‘hopeloosheid van het menselijk tekort.’(blz. 34). En wat zegt Aafjes? ‘Gelukkig zijn is zonder meer een absurditeit, het is gewoon een gebrek aan problematiek.’(blz.14)

Dus een engel is te minderwaardig voor het dichterschap. En eigenlijk zijn alle mensen noodgedwongen dichters. Min of meer uitgesproken?
Kan, maar hier ben ik te weinig spits voor, ik zoek bij Nijhoff weer naar tips naar de eeuwigheidswaarde van de poëzie. Nu ten opzicht van proza: ‘proza is een aanhoudend spreken, dus zozeer een geregeld uitademen, dat het noodzakelijk inademen op de dode plekken, op de interpunctie moet plaatsvinden.’
Klompbrekend: de dichter ademt niet geregeld uit?

Einde deel 1

Schrijver: jos zuijderwijk, 22 nov. 2005


Geplaatst in de categorie: literatuur

2,5 met 14 stemmen 1.010



Er is 1 reactie op deze inzending:

Naam:
Willy
Datum:
24 nov. 2005
Een prachtig stuk proza en ik verzeker je net als jij adem ik in en adem ik uit. En soms vallen de woorden op de juiste plek. Soms wordt het een gedicht en soms proza. En soms pruttelen we maar wat.

Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)