Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

VEDERLICHT

Lichtervelde, dorp achter de Duitse linies, 4 augustus 1917.

Dorpsgeschiedenis schrijf je met bloed. Tijdens die zomeravond van het laatste volle oorlogsjaar ligt majoor Rudolf Lange te soezen op het uitgestrekte weiland achter het station. Onder de blote hemel luistert hij naar zoemende tweedekkers. Hijgend van opwinding schiet hij wakker en valt dan weer in slaap. Plat op de rug en dan, zijn ogen op een kier. Maar het zijn geen tweedekkers. Als hij ze met zijn duim en zijn wijsvinger uit de lucht plukt, merkt hij dat het letters zijn:

V E D E R L I C H T.

Het duurt even voor hij beseft dat dit de letters zijn van het dorp achter het front. Lichtervelde. Negen letters volstaan. Lange stopt de letters in zijn mond, slikt ze in, valt in slaap. Maar de vijandelijke letters laten zich niet kennen, ze smelten samen, maken zijn maag onwel, wringen zich door zijn darmen naar de anus en smeren hem in met een nachtmerrie die hem van kop tot teen doet gloeien. Terwijl hij marineert in zijn geseldroom, nemen de letters hun oorspronkelijke vorm weer aan en gedragen zich als tweedekkers, stijgen op van zijn blote buik en doen wat tweedekkers in een oorlog doen: ze droppen hun bommen op het station.
En het stationsplein wordt Delvaux-achtig. Helder en scherp, schelle lampen, schaduwen en soldatendrukte. De hoofdkleuren zijn donkerblauw en zwart. Goed afgelijnd en strategisch belicht. Met gele vuurpijlen en witte lichtbundels die op hun hoede zijn voor bombardementen van letters. De personages met punthelmen en bajonetten kijken onwezenlijk naar de zoveelste stoomtrein die de zoveelste keten wagons het station binnentrekt en met een martelend geknars het konvooi tot stilstand brengt. Terwijl de trein zich laaft aan het pikdonkere waterreservoir en de stoom onder de wielen oplost in het niets van de koude lucht, kijkt majoor Lange van achter zijn oculair naar het verse paardenvlees dat met leren zadels, blazend en zonder ruiter uit de donkere wagons opdoemt, naar de reusachtige ratelende rupsen met kannonnen die van de platte wagons rijden en de glanzende kasseien doen krijsen, naar de ontelbare soldatenbenen met sabels en geweren, kanonnen en machinegeweren – de orgeltjes van de dood - de veldkeukens en blinkende rollen prikkeldraad, naar de munitiekisten langs de spoorwegbedding, hij kijkt naar de vrachtwagens in de zijstraten en naar de klabetterende karren met mosterdgas en vlammenwerpers in de hoofdstraat en in de verte, waar hij niets meer ziet behalve dat alles doorloopt tot in de oneindige duisternis met daarachter de gigantisch uitgestrekte wereld van kronkelende loopgraven en kazematten, van versperringen en mijnenvelden en alles wat hem te wachten staat, een te vernietigen stuk aardkloot die hij toejuicht van opwinding. Tegen een koude blauwe hemel loopt de majoor streng en krachtig door die onbegrensde ruimte, die gigantische loskaai, stapt hij over de bolle kasseien naar het midden van het tjokvolle stationsplein, het uit de andere richting komende uitgedunde regiment tegemoet. Zij, kreupel en elkaar ondersteunend met stokken en krukken. Het slijk aan hun leren laarzen trekt hun weke soldatenvoeten in de grond. Iedere stap is een inspanning. Hun kousen zijn nat, hun voeten week. Ze zijn het lopen over de spoorwegkeien beu. De stoom van de douchewagons wringt zich langs kieren naar buiten, maar de koude nachtlucht maakt de hete damp af. Naakte soldaten wassen, spoelen en scheren hun uitgeputte lichamen. Langzaam. Uitgebreid. De schade wordt opgemeten. Wonden worden uitgespoeld. Zere plekken betast. De damp van het stoombad beslaat de spiegel. Hun naaktheid camoufleert hun naam, hun nationaliteit. Ze zijn ouder geworden in een paar dagen tijd. Hun huid looit de gruwel in Vlaanderen, de kogelwonde is als een bominslag, een krater vol pijn en de snijwonde trekt zich als een loopgraaf door huid en vlees. Retroscopie is helderziendheid in het verleden, geactiveerd met een warmwaterkraan en een spiegel. Lange tracht in de beslagen spiegel te kijken. Meer dan een silhouet kan hij niet herkennen. Hij duwt zijn blik in het wazige oppervlak. Hij kan zijn gezicht niet zien. Op de plaats van zijn ogen ontdekt hij afwisselend zwarte en witte kringen. Hij maakt zijn geest leeg. Hij verzet zich tegen de onbekende maalstroom, die zijn geest terug in de tijd sleurt. Hij sluit zijn gedachten hermetisch af, in een kerker vol herinneringen, valt in zweem en wordt wakker. Zijn gedachten baden in een nevel van het verleden en hij krijgt toegang tot de historie. Wanhoopskreten van de levenden wisselen af met het zachte schreien van vergeten mannen. Een angstschreeuw raast als een storm door zijn zintuigen. Hij is terug in de hel. Hij verliest elk gevoel voor tijd en ruimte. Hij weet nauwelijks of het dag of nacht is en dan doemen uit het Westen de oorverdovende en tot op de tanden gewapende tweedekkers op. Of zijn het letters? De zwaar geladen letters vliegen over het station. Aan alle kanten loeien sirenes. Gefluit en gedender en gesis, lichtflitsen en gedonder, naast hem krakend en brandend hout, voor hem haast onzichtbare bominslagen, voelbaar, met gefluit, geroep, gebrul, de grond trilt, geroep van vrouwen in de verte, gekerm, mannengeschreeuw en paardenhoeven en boven zijn hoofd gezoef en gefluit. De letters gooien hun bommen los. De ‘fliegerbombe’ eindigen hun schuifelende val geruisloos in dorpstuintjes en aan voordeuren of met een droge dreun door dakpannen in een kinderbed, gevolgd door een knal, gegil en scheurend vlees van paarden of mensen. De kogelregen ketst af en een kogel dringt door de wang van de man rechts van hem. Officieren en onderofficieren schreeuwen tot de luchtdruk hen tegen de grond slingert. Het overluide staal van sporen en munitiewagons gloeiend van de hitte verwringen tot amorfe vormen en grijpen hem bij zijn keel, verlammen hem van schrik, ontspannen zijn spieren, nat in zijn broek en warm, trekken zijn spieren samen tot hij overgeeft, steunt, kreunt. Op het met ledematen bezaaide stationsplein blijven de gewonden als lijken liggen. En dan landen de tweedekkers van Ravarin en Delaunoy, ontdaan van hun kogels en bommen op de buik van de majoor.
Vederlicht.

Schrijver: Benedict Wydooghe, 16 mei. 2006


Geplaatst in de categorie: oorlog

4,9 met 14 stemmen 1.050



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)