Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Dierenleed

Er is een hondje aangereden. Een groepje mensen, meest kinderen, dromt samen, twee dierenambulances verlenen bijstand. Het lijkt wel op een heuse reanimatie. Ik weet het niet, ik heb niet zoveel verstand van hondjes, maar volgens mij is het hondje dood. Morsdood.

'De Chinees heeft het gedaan' weten de kinderen. Over het hoe en wat geen enkel overeenkomend detail. Volgens de een reed de Chinees te hard, volgens een ander schoot het hondje, dat losliep, zomaar de straat op. Allebei kan ook nog. Hoe het ook zei, het is niet goed voor zijn klandizie vermoed ik. Het baasje, man type Gorilla, kale kop, tattoos op de bovenarmen, is in tranen. Vreemd zo'n grote kerel te zien janken als een kind.

Ik moest ook janken toen Thomas dood was. Thomas van Aquino voluit, naar de middeleeuwse filosoof. Tommy, voor intimi. Thomas was gewoon ziek, doodziek. Ik wist het wel. Mischa drong er al eerder op aan dat ik met het beest naar de dokter moest. Ik wilde niet. Geen onnodig gedoe aan zo'n kat, geen nutteloze infusen of operaties, geen tot niets leidend gerekketrek. Zoals we met mensen doen.

Behalve dan die vent laatst. Steken vol helderrood bloed bracht ik naar de spoel. Grote klodders onbestemd mensenvlees liet zijn lichaam los, een mens in ontbinding, een zinderende bloedige apotheose van een leven. Sensationeel ja, maar wel in een ziekenhuisbed. In mijn dienst. 'Not in my shift' zeggen we dan, en Anneke is de eerste om me te helpen. Een ander bed, zodat we hem makkelijker weg kunnen rijden als het moet, naar de OK, naar de gastro, dondert niet waar naartoe, als het maar niet naar de kelder is. In onze dienst dan. Transportmonitor en zuurstoffles hangen we klaar. In hoog tempo gieteren we bloed bij hem naar binnen. De dokter overlegt. Met de gastro-enteroloog, met de internist, met de intensivist en met de chirurg. Die laatste heeft er niet veel zin in, dat wordt niks zo, dat gaat die man nooit redden. En om daarvoor bij nacht en ontij uit je bed te komen. Laat ze eerst maar weer eens met de scoop kijken van binnen. Misschien zijn het gewoon wel divertikels, is het probleem makkelijker te cancellen. Misschien ja.

En dus prut ik door. Het bed verschonen heb ik opgegeven. Anneke is druk met de rest. Hij wil dat zijn dochters gebeld worden. Moet ook ja, maar Eindhoven, dat is een eind. Hij wil de dokter spreken. 'Waarom dan?' Dokter is druk.
'Ik wil dat hij ermee ophoudt'. Hij wil het niet alleen, hij eist het gewoon. In my shift, verdomme. Hij wil gewoon dood. Net als Thomas, onder de bank kruipen en wachten op het einde. Een gewone eerlijke, vorstelijke kattendood. Voor Tommy werd dat een doodeenvoudig rotspuitje. Dat wil die man ook. Een spuitje.

'Die is wel erg ziek meneer' had de dokter gezegd. Net alsof ik dat niet zag. En 'we zullen goed voor hem zorgen'. Ik wilde geen graf in de tuin. Geen kruisje of steen. Mijn Thomassie gedenk ik zo wel.

Een vriend kwam ermee aanzetten. Voor Woemi. Ze wilde een kat, en dus kreeg ze een kat. Ze zette een bakje voer neer voor het beest, levertjes of zoiets, leek haar wel wat, en een kattenbak die ze pontificaal midden in de kamer zette. Tja, en verder, wat moet je verder met een kat? Ze liet het beestje maar wat. En zo werd het een beetje mijn kat. Ik pakte een touw, waaraan hij zich door de hele kamer voort liet slepen en rollen, nam een balletje mee, speelde met hem als ik bij haar was. En dat was nogal vaak in die tijd. Ik had geen werk, vandaar.

Die levertjes waren niet zo'n goed idee. Tommy werd ziek, heel erg ziek. Met een pipetje gaf ik hem water, een beetje verdunde melk. De dokter schreef gekookte vis en lamshart voor. In kleine porties, vier, vijf keer per dag. Toen al was Thomas niet meer bij me weg te slaan. Ging ik roken en koffie drinken in de tuin, Tommy volgde. Trouw wachtte hij voor de douche, en als ik bij Woemi bleef slapen kwam hij ook. Dat wilde ze niet, maar Thomas was de enige man die haar zijn wil op kon leggen. Als een sjaal krulde hij zich om mijn hoofd, en begon ongelofelijk te knorren.

De dochters zijn er. Een nachtelijke rit van meer dan anderhalfuur uit Eindhoven. Die hebben geen 120 gereden. De man vertelt. Dat hij niet meer wil, dat hij genoeg gezien heeft. Bij zijn moeder, die bloedde ook. Haar laatste maanden waren een hel. En dan, die aftakeling. De fiets is allang passé, hij loopt met een rollater. Soms is hij te laat voor de wc.
'Maar het kunnen heel goed alleen divertikels zijn' probeert de dokter nog.

Dan, bijna boos, geeft de dokter toe: 'Geef hem maar morfine'. En ik geef hem morfine. En als het niet snel genoeg gaat geef ik hem een beetje meer. De dochters vinden het goed, de dokter vindt het goed. Dan eindelijk valt hij in slaap. Een zware, diepe slaap.

Ik zie Thomas liggen. Ik streel zijn koppie, aai hem onder zijn buik. Zachtjes begint hij te knorren. Natuurlijk nam ik hem mee, toen het over was, met Woemi. Als ik zat te huilen op de bank sprong hij bij me op schoot en begon me zachtjes met zijn voorpootjes te kneden. Alsof hij me troosten wilde. Onzin natuurlijk, het was maar een domme kat.

Gedachtenloos speel ik met het haar van de stervende man. Een van de dochters komt bij me staan. 'Is hij nu dood?' wil ze weten. Ik weet het niet, het is zo moeilijk te zien soms, je zakt langzaam weg, je ademhaling wordt minder, je hartslag evenzo, en dan zomaar, dan ben je er niet meer.
'Het is goed zo' zegt de dochter, buigt zich over hem, 'dag vader' zegt ze zacht.

'Dag Thomas' zeg ik, mogelijk nog zachter.

Schrijver: jorrit, 12 sep. 2008


Geplaatst in de categorie: dieren

4,3 met 23 stemmen 713



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)