Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Op vleugels van verbeelding - deel 2

Het was Lena, het verpleegstertje waar hij zonet een woordenwisseling mee had gehad. Ze stond wat bedremmeld in de deuropening.
“Misschien had je wel een beetje gelijk…”, begon ze aarzelend. Ze ontweek zijn blik, hield haar hoofd ietwat schuin.
“Ja?”
“Ik wist dat het je moeilijk kunt vinden met je ouders en…”
“Hoe wist je dat?”
“Ik heb het in je rapporten gelezen”.

Er viel een stilte. Hun blikken kruisten elkaar. De woede vlamde in hem op, maar hij hield zich in. Dat had hij kunnen weten!
“Was je zo nieuwsgierig naar mij?” Het klonk als een constatering.
“Ja. Ik zie je vaak rondlopen hier… je bent steeds zo somber en ook wat afwezig, alsof alles een beetje langs je heen gaat. Ik wilde wat meer over je te weten komen… daarom heb ik je medische dossier gelezen.”

“Was het interessante lectuur?”
“Misschien was het wel verkeerd, maar ik heb het recht om het in te zien. Ik wilde je alleen maar helpen, ‘es een keer met je praten”.
“Als je dan al zo goed op de hoogte bent van je rechten en plichten, dan weet je net zo goed als ik dat al te intieme banden tussen verpleging en patiënten niet worden aangemoedigd”, beet hij haar toe.
“Dat heeft hier niets mee te maken. Je zult mij misschien wel een moederkloek vinden of een verpleegstertje met een moederinstinct, maar ik wil je wérkelijk graag helpen. Voorzover ik dat kan tenminste.” Hulpeloos keek ze hem aan.

“Hóe dan? Wil je mij uit mijn ivoren toren stoten? Al mijn maskers afrukken? Wil je mij soms al mijn dromen afnemen, terwijl je weet dat mij daarna niets meer rest? Dat proberen jullie allemaal, met iedereen die hier opgenomen is. Jullie…”
“Ja, je hebt alweer gelijk! Je hebt het grootste gelijk van de wereld, en dat méén ik ook. Maar één ding zie je steeds weer over het hoofd”.
“En dat is?”
“Je wilt jezelf niet prijsgeven, je stelt je niet echt open voor een ander. Je doolt in je eigen kringetjes rond. Je bent af en toe zelfs groots daarin… je kunt goed schrijven, je hebt een rijke fantasie. Maar er ontbreekt iets aan je, juist datgene wat ik in anderen soms zo erg waardeer: warmte. Je dekt je steeds zo in tegen alles waar je bang voor bent. Elk contact is voor jou een gevecht van één tegen één. Altijd ben je op je hoede, altijd ben je bang dat anderen je willen kwetsen, vernederen. Ik wou je alleen maar zeggen dat ik dat níet van plan ben, ook niet als je weer zo lullig tegen me doet, al heb je af en toe best wel gelijk.
Maar juist doordat je jezelf altijd zo krampachtig moet verdedigen word ik voorzichtig met mijn woorden en dan zeg ik dingen waar je weer kwaad van wordt.”

Alle onzekerheid was uit haar houding verdwenen. Ze keek hem aan: hij wist dat ze gelijk had. Wat viel er hierna nog te zeggen? Hij slikte moeilijk, zocht naar woorden. De grimmige vastberadenheid in hem ontdooide. Het was alsof hij plotseling over een grote, onbekende vlakte moest lopen, zonder gevoel voor richting, zonder houvast. Alsof de onzekerheid, die uit haar was verdwenen, op hem was overgegaan. Langzaam welden woorden in hem op; toen hij ze uitsprak, klonken ze in zijn eigen oren alsof ze door een onbekende werden uitgesproken.

“Ik wil dat vaak wel”, verzuchtte hij, “maar het gaat me zo moeilijk af. Ik heb al zo vaak mijn hoofd gestoten dat ik geen zin meer heb om nog langer kwetsbaar te zijn. Ik ben zo moe, zo zat van alles. Ik heb zin om te slapen, om alles te vergeten. Het is alsof ik in een nachtmerrie zit die maar niet op wil houden. Ik… ik voel me zo wanhopig!”

Ze kwam naast hem staan en legde een hand op zijn schouder.
“Dat wist ik, nee, ik vóelde het steeds. Je draagt je eigen gevangenis in je mee; je gevangenis én al je dromen. Maar je hoeft je dromen niet overboord te gooien; je moet ze juist de vrije ruimte laten. Je moet ze uit laten vliegen, op de vleugels van je verbeelding. Ik weet zeker dat je dan zult groeien als schrijver en dichter, mijn kleine Dostojevski!”

Ze zei het zonder een zweem van spot, ze meende het echt.
Opeens begon hij te grinniken. “Ik geloof dat we nu ‘intieme vreemden’ zijn geworden”.
Hij keek vragend naar haar op.
“Ik geloof het ook, kleine steppewolf“.
“Laten we dan nu naar het magische theater gaan, dat beneden aan de gang is. Ik ben benieuwd!”
Ze zoende hem op beide wangen en trok hem overeind.
“Kop op, mijn kleine Dostojevski! We hebben de stoelen en de tafels aan de kant gezet en een grammofoon opgehaald. Wie er zin heeft om te dansen gaat gerust zijn gang: ik stel me beschikbaar!”

In een heel wat betere stemming dan een uur tevoren daalde hij samen met haar de trappen af naar de conversatieruimte, waar al een paar mensen zich aarzelend op de geïmproviseerde dansvloer hadden gewaagd. Zonder zich te bedenken sloot hij zich bij hen aan; zij ging tegenover hem staan. De muziek zette in. De kerstnacht kon wat hem betreft beginnen.

P.S.

*) 'De Steppewolf' en het 'magische theater' zijn verwijzingen naar "De Steppewolf" van Herman Hesse. Net als in deze roman van Hesse doolt de hoofdpersoon van mijn verhaal door de steppe van deze wereld, op zoek naar de vervulling van zijn dromen. Het magische theater is het imaginaire gebouw waarin hij met al zijn wensen, fantasieën en spookbeelden wordt geconfronteerd.

Schrijver: Gaius Publius Cato, 22 dec. 2008


Geplaatst in de categorie: psychologie

3,6 met 9 stemmen 318



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)