Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Het loods-verhaal over de Griekse oudheid. Slot

Wij hadden de hoop op een behouden thuiskomst al opgegeven toen ik, spiedend over bakboord, een vreemd vaartuigje in het oog kreeg. Een klein schip, dat over slechts één zeil beschikte, dreef daar ogenschijnlijk kalm aan ons voorbij. Een bebaarde vreemdeling lag er op het dek te slapen. Kennelijk deerden de vulkanische vonkenregens hem niet. Doodgemoedereerd had hij zich op het dek van zijn nietig schuitje uitgestrekt.

Boven het razen van de storm uit probeerde ik hem te waarschuwen voor het naderende gevaar. Dat had succes. Ogenblikkelijk kwam hij overeind. Hij vroeg of we zijn hulp konden gebruiken. De man beweerde vertrouwd te zijn met deze omgeving en zich niet druk te maken over het woeden der elementen.

Vlug wierp ik een touwladder over bakboord, waarlangs hij verbazend handig naar boven klom. Eenmaal aan dek beland stelde hij zich voor als een arts uit Kythera die zich in deze contreien had gevestigd en bij gelegenheid passerende schepen in nood hulp placht aan te bieden. Ondanks zijn vriendelijk voorkomen en welbespraaktheid stond iets in deze vreemdeling me niet zo aan.

"Probeer u zich voor te stellen dat dit oord der verschrikking slechts in uw verbeelding bestaat", sprak hij, toen ik hem benedendeks had geleid, waar de galeislaven hun ongelijke strijd voerden tegen het woeden der elementen. "De vulkanen die u daar ziet zijn alleen maar producten van uw eigen angst; zodra u dat doorziet zal de storm gaan liggen en zullen de vulkanen oplossen als waren zij er nooit geweest."

Omdat de man in deze archipel thuishoorde en tamelijk zeker leek van zijn zaak, op het arrogante af zelfs, besloot ik gehoor te geven aan zijn verzoek. Ik gaf de roeiers opdracht de spanen binnenboord te halen, zodat zij eindelijk hun gekromde ruggen konden rechten. Vervolgens probeerde ik me voor te stellen dat de kust veilig was, misschien wel tegen beter weten in.

Tot mijn eigen verbazing begon de storm daarop te luwen en verdwenen de vulkanen uit het zicht. De wind ruimde geleidelijk naar het westen en, hoewel nog steeds krachtig, vormde zij geen directe bedreiging meer. Door de krachtige storm was onze vracht, bestaande uit amforen en brons, gaan schuiven zodat het schip slagzij maakte. Met man en macht werd geprobeerd de wanordelijke toestand in het ruim weer meester te worden. Bovendien waren de zeilen, die we niet meer op tijd hadden kunnen binnenhalen, op diverse plaatsen gescheurd.

De grootste verrassing moest echter nog komen. De stuurman, die bij mijn gesprek met de grijsaard aanwezig was geweest en van meet af aan een afwachtende houding had aangenomen, maakte mij plotseling attent op een aantal eilandjes in het centrum van de archipel waarop, ondanks alle bezweringen van de vreemdeling, nog steeds vulkanen hun vurige lading de hemel in spoten. Weliswaar lagen wij niet direct in de vuurlinie, maar de gloeiende lavaregens stortten nog zó gevaarlijk dicht bij ons sissend en borrelend in zee, dat het me raadzaam leek onze koers iets te verleggen.

Niet alles was dus een product van mijn angstige fantasie, zoals de bebaarde vreemdeling had gezegd. Kennelijk vormde datgene, wat ik oorspronkelijk had gezien - een ononderbroken keten van eilanden met rokende vulkaantoppen - slechts een uitbreiding, een magische verdubbeling van de gevaren die er werkelijk schuilden in deze uithoek van de Aegeische Zee.

Dat maakte ik kenbaar aan de grijsaard. Daarop glimlachte hij slechts onder het mompelen van: "Maar dat heb ik u van meet af aan gezegd". Ik besloot om er, bij het horen van zoveel onbeschaamdheid, maar het zwijgen toe te doen. Nadat ik de man royaal - maar ook weer niet té uitbundig, daarvoor was hij te hooghartig - had beloond, liet ik hem op zijn eigen verzoek afzetten op een eilandje aan de rand van de archipel. Waarschijnlijk zou hij daar een nieuw schuitje bouwen, zodat het spelletje zich bij de passage van een volgend schip zou herhalen. Ik bedankte hem voor zijn adviezen.

Nadat de roeiers van de sloep weer aan boord waren gegaan, gaf ik bevel definitief koers te zetten naar de Ionische kust met als eindbestemming Milete. Vanaf het rotsige eilandje groette de grijsaard me nog een keer. Daarna draaide hij zich ongeïnteresseerd om en liep naar een grot, enkele meters boven de zeespiegel, wellicht om zijn eigen barbaarse goden aan te roepen. Vlak voordat hij aan het zicht werd onttrokken, loste zijn gestalte plotseling op in een groen schijnsel, dat nog een tijdje bleef hangen.

Was de aanblik van de werkende vulkanen soms een drogbeeld geweest van Pallas Athene, die mij duidelijk wilde maken dat de gevaren, waartegen ik mij probeer te beschermen, minder groot zijn dan ik veronderstel? Of was de man misschien een afgezant van Poseidon die mij veilig door de storm wilde loodsen? Hopelijk wordt mij dat nog eens in een droom onthuld. Sinds die dag heb ik hem in elk geval nooit meer teruggezien.

Zoals ik aan het begin van mijn merkwaardig relaas al opmerkte, hebben we het eilandenrijk van de Cycladen inmiddels achter ons gelaten en is de Ionische kust in zicht gekomen. De wit geplaveide kaden van Milete heb ik nog niet aan de einder kunnen ontdekken, maar dat is slechts een kwestie van enkele uren stug doorvaren, geholpen door de stevige westenwind. Met Zeus' hulp zullen we spoedig onze eindbestemming bereiken.

Schrijver: Hendrik Klaassens, 28 feb. 2009


Geplaatst in de categorie: psychologie

4,2 met 5 stemmen 306



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)