Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

bijzondere ontmoetingen

Hoe het komt weet ik niet, maar op de een of andere manier zit ik bij feestjes en verjaardagen altijd in de verkeerde hoek. Zo kom ik altijd naast iemand te zitten met problemen.

Terwijl aan de andere kant van het vertrek de interessantste gesprekken worden gevoerd, de leukste anekdotes worden verteld en de beste moppen worden getapt, zit ik altijd naast iemand met de vreselijkste huwelijksdrama’s, de grootst mogelijke tegenslag, de naarste ongelukken en de engste ziekten.
Sommige mensen zouden dan opstaan met het excuus dat ze even moeten plassen om zich dan bij terugkeer bij het gezellige groepje mensen te voegen. Ik daarentegen vind dat dan zielig:
'Je kunt toch iemand die er toch al zo naar aan toe is, niet zo maar in de steek laten', redeneer ik dan. Het gevolg is dat ik de rest van de avond alleen maar naar ellende zit te luisteren.
Als ik dan vervolgens véél later dan ik eigenlijk van plan was naar huis ga, omdat ik óók nog de grootste moeite heb om zo’n gesprek af te breken, kan ik bij thuiskomst maar met moeite de slaap vatten, omdat het gevoerde gesprek alsmaar in mijn hoofd rond blijft tollen.

Zo lang ik me kan herinneren heb ik een grote aantrekkingskracht uitgeoefend op mensen met problemen.
Zo had ik een tijdje terug een onverwachte ontmoeting in een oud gedeelte van de Amsterdamse Staatslieden-buurt. Een oude arbeiderswijk, die gedeeltelijk rijp is voor de sloop en voor een gedeelte al gesloopt is. Toen ik langs een café liep, waarvan de bovenverdiepingen al dicht getimmerd waren, tolde er een man naar buiten, die ter plekke dreigde neer te storten, wat ik nog nèt kon voorkomen.
Hij keek me aan alsof ik een engel was, die speciaal uit de hemel was neergedaald om hem op te vangen. Omdat deze onverwachte hulp van hogerhand zich nu toch eenmaal had aangediend, leek het hem ook heel normaal om daar tijdens de verdere tocht naar zijn huis gebruik van te maken.
Alleen, zo dacht hij waarschijnlijk, zou hij het toch nooit redden. Of ik hem maar even een arm wilde geven. Slingerend en struikelend begaven we ons op weg.
''Rot kroeg'', sprak hij met dubbele tong.
''Waarom'', vroeg ik.
''Ze willen me niet meer schenken".
Omdat ik geleerd heb dat je dronken mensen nooit moet tegen spreken, zei ik maar dat dit inderdaad niet zo aardig van ze was. Onderweg kwamen we hier en daar een paar mensen tegen.
Omdat het, volgens mij, voor buitenstaanders - gezien de situatie - moeilijk was in te schatten, wie van ons beiden nou dronken was - of dat we het misschien wel allebei waren -, sprak ik op die momenten maar een paar opbeurende woorden. Zo van: ''gaat het een beetje?'' en: "we zijn er bijna hoor!'', daarbij een gezicht trekkend, zo van: "Daar ben ik weer mooi mee opgescheept!"

Mijn vraag, waar hij nou eigenlijk precies woonde, beantwoordde hij met een armzwaai die de hele wijk leek te omvatten. Maar na een tijdje in de buurt te hebben rond gezworven, kwam er toch iets van herkenning in zijn blik en bleef hij voor een verveloze deur stil staan.
Of hij de sleutel bij zich had, vroeg ik. Ja, zei hij en wees op zijn broekzak. Kennelijk achtte hij zichzelf niet meer in staat om de sleutel uit zijn broekzak te vissen en met enige tegenzin nam ik deze taak op me.
Na wat zoeken in de bos sleutels lukte het me de deur open te maken. In het schemerdonker werd een trap zichtbaar die zo steil omhoog ging dat het me onverantwoord leek de man alleen de trap op te laten gaan.
“Op welke verdieping woont U?”, vroeg ik. De man mompelde wat en wees naar boven.
We begonnen aan een moeizame tocht omhoog. Hij voorop en ik er achteraan, klaar om hem op te vangen.
Al gauw bleek dat laatste nodig te zijn. De man verloor zijn evenwicht en door hem tegen zijn achterste te duwen, kon ik nog net voorkomen dat hij naar beneden viel.
Bij deze actie kwam ik tot mijn schrik met mijn hand in een grote natte plek terecht. Hij had in zijn broek geplast en in het schemerdonker zag ik dat er nog maar weinig droge plekjes waren.
In stilte bad ik dat hij op de eerste verdieping woonde, maar dat bleek helaas niet het geval.
Inmiddels had ik hem bij zijn broekriem vastgepakt; het enige droge plekje dat ik nog kon vinden.
Vier lange hoge trappen heb ik hem voor me uit moeten duwen.
Omdat ik hem op die steile trap bij zijn riem vast moest houden, kwam ik met mijn gezicht steeds gevaarlijk dicht bij die natte broek.
Toen we uiteindelijk op de zolderverdieping kwamen, bleek hij op een zolderkamertje te wonen dat voor het grootste gedeelte door een bed in beslag werd genomen.
Daarop hij zich liet vallen.
Op mijn vraag of het zo verder wel ging, kreeg ik geen antwoord meer.
Met enig schuldgevoel heb ik toen de deur maar zachtjes dicht getrokken……

Schrijver: frans brugman, 31 okt. 2009


Geplaatst in de categorie: woonoord

4,0 met 1 stemmen 150



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)