Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Bij een minnares in de biechtstoel (8)

En die zak patat had ook nog het lef om mij despotisch in het gareel te houden. Met recht kan ik stellen dat ik slachtoffer ben van een nazi-regime. 'Vrouwen', zei hij, 'zien er allemaal hetzelfde uit.'
'Wat een droogkloot!', dacht ik toen, maar ik wist op dat moment nog niet dat er voor mij op dat gebied geen ene moer van hem te leren viel. Attendeerde ik de gestapo tijdens de maaltijd op een mooie vrouw, die voorbij liep, dan kwam er geen enkele reactie, ook niet van mijn aangepaste broertje, dan verzonk mijn tijdelijke opwinding in een groot, kloosterlijk stilzwijgen.
Het is al met al niet zo heel verwonderlijk dat ik ben ingetreden en dan met name in de strenge orde van de benedictijnen. Zoals ik thuis werd doodgezwegen, zo ben ik uiteindelijk doodgegaan.

Maar ik heb geen zin meer om mijn leven te analyseren en daarom ben ik deze brief ook niet begonnen. Laat ik mij beperken tot de periode dat ik in het klooster zat, dat imposante gebouw nabij de pachtboerderij van jouw familie. Toen een grote vriend van mij overleed en toen hij op het kloosterkerkhof begraven werd, reed ik langs jouw huis. Zou je er nog wonen? Ik hoop het maar, want als je gespierde, anti-literaire vader deze brief leest, dan ben ik nog niet jarig, vermoed ik.
Maar vaders mogen niet in de post van hun eerzame dochters rommelen, dus dat probleem is opgelost. Overigens, iedere oprechte katholiek behoort grenzeloos te vergeven. Jij moet het mij dan ook maar vergeven en zo niet, dan zal ik fier mijn martelaarschap ondergaan, want zondebokken zoals ik hebben recht op hemelse genade. Goddank heeft God meer inzicht dan zijn schepselen.

Weet je dat ik ook van boerenafkomst ben, Groningse kleiroots, dat moet de gemoederen toch mild stemmen. Ik zit hier verdomme in volstrekte eenzaamheid en ik lijk wel krankzinnig om je deze brief ook daadwerkelijk te sturen, maar het magnetisme tussen je zachtaardige benen werkt net zo feilloos als de paus, inderdaad, die versierde koning der ratten. Ligt die smurf soms dood in een van zijn vertrekken en wordt hij door niemand gemist?
Ik heb die uitgedroogde eikel nog gevraagd of hij de heren Oscar Wilde en Arthur Rimbaud binnen afzienbare tijd heilig wil verklaren. Hij schrijft toch ook boeken, waarom kan er dan niet even een bevestigend antwoord van hemzelf richting mijn adres? Of heeft hij het te druk met de verkoop in zijn pas geopende condomerie? Ach, het is ook niet eerlijk om een oude man aan te vallen, bovendien is hij geestesziek en zit hij gevangen in zijn kolderieke poppenhuis. Beter is het om die eigenwijze marionetten om hem heen eens ruwweg door de stront te halen. Ik zou mijn woorden wat moeten kuisen, want ik vergeet dat ik tegen een dame praat, ach poppetje, zie ook dat maar door de zachte vingers.
Het heeft geen zin om te protesteren, we zijn allen zondig, als er zonde zou bestaan en die bestaat niet, dat heb ik reeds gezegd. Na die keiharde pornofilm in het winderige Egmond aan Zee en na enkele glazen bier en wat rode wijn, sloeg ik aan de snelweg plotseling rechtsaf richting het bevriende nonnenklooster. Mijn vriend poogde me nog terug te schreeuwen, maar ik was te bezeten van een onbewuste drift of een hogere macht. Aan het einde van de lange oprijlaan lag het schilderachtige Liobaklooster. Het duister hinderde mij niet. Zonder na te denken fietste ik naar de hoofdpoort. Boven de deur was een ingenieus in elkaar gezet glas-in-lood-raam met een ontzagwekkende voorstelling. Ik aarzelde geen moment, ik greep een steen van de grond en ik smeet die steen tegen de lamp, die als enige brandde. De steen en de glassplinters beschadigden ook het gekleurde raamwerk. Als een haas ging ik er vandoor. Mijn vriend was woedend.

De volgende dag was een schaamtevolle nachtmerrie, ik heb alles opgebiecht, eerst aan vader abt en later aan de moeder overste van de verzamelde nonnen en iedereen was zeer ontstemd. En ik, ik begreep niets meer van mijzelf, ik zakte weg in een genadeloze identiteitscrisis. Mijn nek boog alsmaar verder naar voren. Een gedicht uit die periode verklaart misschien het een en ander: De non. Borsten in mijn bed, duivels om mij heen, naakte nonnenpret, zalig kutgespeen. Lust. Lust. Lust. Tepels in mijn mond, ik ben het die kust haar billen rond. Ik pak je wel, warm tonggestreel, geil en snel, tot in mijn keel. Geen adem meer, 'n schokkende honnepon, ik explodeer... jij vuile, vuile non!
'Dit gaat de verkeerde kant op, broeder Joanan, we gaan proberen om je te helpen', zei de abt. Ik kwam bij een psychiater in de inrichting van Heiloo terecht. Die kon niets bij mij ontdekken, behalve dan dat hij vond dat ik op de verkeerde plek zat. Achteraf gezien had hij groot gelijk. Maar mijn godsdienstwaanzin hield mij vast op die verkeerde plek. Ik wilde en ik mocht Christus niet loslaten, dat was een doodzonde en daarmee zou ik vooral mijn vader in het diepst van zijn ziel treffen. Hoe dat zit, mijn lieve nonnetje, bedenk je zelf maar.
Er stond een onmenselijke druk op mij. Mijn vader had mij geleerd, bewust of onbewust, om de sexualiteit totaal te onderdrukken ten bate van de liefde voor God. Dat dit tot grote krankzinnigheid leidt is je nu wel duidelijk, lijkt mij, groter dan de krankzinnigheid van Van Gogh of die monnik uit de middeleeuwen, die de toenmalige abt aanviel.

Schrijver: Joanan Rutgers, 20 jan. 2010


Geplaatst in de categorie: eenzaamheid

5,0 met 1 stemmen 142



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)