Inloggen
voeg je verhaal toe

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 4323):

Kleurminnende vitalist

(voor William James Glackens (1870 - 1938))

Je bent geboren in Philadelphia, waar je vader werkte bij de spoorwegen van Pynnsylvania en hij kwam altijd hoogst vermoeid terug, zodat hij meestal zwijgend in de kookkunst van je moeder opging, terwijl jij met je oudere zus Ada erwten over de tafel schoot en je oudere broer Louis lachwekkende tekeningen van jullie maakte. Later werd Louis cartoonist en ook jij hanteerde het tekenpotlood in je jonge jaren, wat je goed van pas kwam, toen je op je twintigste afstudeerde op de Central High School, want je werd eerst kunstverslaggever bij een krant, maar al snel illustrator. Bovendien nam je 's avonds schilderlessen aan de Pennsylvania Kunstacademie, waar je je ook verdiepte in het schilderwerk van Thomas Anschutz, maar zoals dat hoorde bij je leeftijd, verdiepte je je ook uitzonderlijk grondig in de lichamelijke charme van de jongedames, die na een avondje stappen graag bleven overnachten. Na het vurige en uitputtende rollebollen maakte je graag nog wat schetsen van hen en soms begon je direct te schilderen.
Je was bevriend met Robert Henri, die herhaaldelijk kunstdebatten in zijn atelier organiseerde, wat soms tot hoogopgelopen vetes leidde, maar het maakte je kunstenaarsgeest strijdvaardig en onderbouwd.
Op je vijfentwintigste reisde je met je collega's Robert Henri en John Sloan naar Europa om daar de oude meesters te bestuderen, waarbij je ook Nederland aandeed en je vooral oog had voor de stijl van Frans Hals. Samen met Henri reisde je door naar Parijs om daar een atelier te huren en je bent daar een jaar blijven rondneuzen en schilderen. Je ontdekte de vlotte en rake stijl van de impressionisten, met name die van Degas en Renoir, waardoor je natuurlijk wat van hun stijl overnam. Terug in New York werd je weer illustrator, deze keer voor de 'New York Herald' en enkele tijdschriften.
Je reisde naar Cuba om met je tekenkunst de Spaans-Amerikaanse oorlog vast te leggen, waar je met hangende pootjes van terugkeerde, want al dat geweld en de ellendige gevolgen ervan kwamen je de keel uit.
Op je eenendertigste hield je samen met Henri en Sloan een expositie in de Allen Gallery, wat lovende kritieken opleverde en heel wat dolenthousiaste kopers. Met de poen ging je naar geestverruimende theaterstukken, dure restaurants en chique nachtclubs.

Terwijl je eens je zoveelste champagneglas bestelde, viel je roofvogeloog op de slanke, elegante Edith Dimock, een perfecte engel in de allermooiste kleren, een warme uitstraling waar je al die jaren naar had uitgekeken. Ze had gestudeerd aan de Art Students League en ze schilderde zelf dus ook, zij het dan wat naïef, ze stoeide net als jij met kleuren en ze kwam uit een rijke familie, maar dat droop er dan ook vanaf. Van de champagne naar je liefdesnest ging godzijdank heel spontaan, want ze viel meteen voor je innemende, hemelse ogen, terwijl je krachtdadige mannelijkheid haar doelloze hertengedrag een deken van veiligheid bood. Je was vierendertig en zij achtentwintig toen de kerkklokken feestelijk luidden vanwege jullie bezegelde huwelijk. Drie jaar later werd jullie zoon Ira geboren en je maakte deel uit van de zogenoemde De Acht, de Ashcan Groep, zeg maar de Onafhankelijken van New York, van wie werk steeds weer geweigerd werd door de oude garde van de Nationale Academie. Maar jullie exposities in 1908 en 1910 werden een groot succes en men kon niet meer om jullie heen, het kon natuurlijk wel, maar dan hield je jezelf voor de gek. Als nieuwe realist met kunstzinnige vrijheden timmerde je volop aan de weg en naast de intieme bedgeheimen met je zachtaardige Edith genoot je ook van de vele naaktmodellen, die zich als vanzelf aandienden en dolgraag uit de kleren gingen, je atelier leek wel een een paradijselijke droom. Zo schilderde je een zeer snoezig portret van de zomerse Kay Laurell, heel verleidelijk met die bijna ontblote linkerhangborst, als een rijpe appel zo zwaar. Degas-achtig, maar dat drukt de pret niet.
Rond je veertigste sijpelde je weg uit De Acht en werd je meer en meer een impressionist, door sommige gal spuwende critici gehekeld als een na-aper van Renoir, maar dat waren geen echte kunstliefhebbers, maar pietluttige zeikneuzen. Voor de kunstverzamelaar Albert Barnes kocht je schilderijen van Van Gogh, Gauguin, Renoir, Matisse, Cezanne en Manet.
In 1913 werd jullie dochter Lenna geboren en je reisde nog vaak naar Parijs en Zuid-Frankrijk om daar te schilderen. Als een verlate telg van het impressionisme. Naast de opgedofte dames in cafés schilderde je 'Een roodharig model', waarbij je haar rechterborst met erwtkleine tepelhof frontaal aan de kijker presenteert, wat je gulle durf impliceert.
Of neem 'Naakt in een groene stoel', waarbij de lome vrouw met de armen in de nek uitrekkend, wel beide borsten bloot toont, wat haar totale overgave weergeeft, heerlijk ontwapenend en voor menige man een aangename geruststelling na al die ingewikkelde, frustrerende, stress verhogende poespas daaraan vooraf.
Op 'Naakt met appel' zit een naakte jongedame op een antieke bank met in haar hand een rode appel en naast haar de sierlijk gevederde hoge hoed. Het is opvallend dat je kleine borsten niet dikker maakt, typisch on-Amerikaans, maar daarom zo vertederend mooi, want borsten zijn mooi zoals ze zijn en niet om volgens een geïndoctrineerd ideaalbeeld ingekleurd of zelfs afgekeurd te worden.
Je vriend Henri schilderde een statig portret van je vrouw in een weelderige jurk, hij had een oogje op haar, kreeg tijdens de poseersessie even de aandrang, maar hij was te zeer bevriend met jou om daar misbruik van te maken.

Je werd twee keer beloond met gouden medailles, maar je gezondheid ging zienderogen achteruit, de passie was gedoofd en op een avond kuste je je gevoelige, beeldschone vrouw, je streelde haar brede schouderlijn en het lange haar met een middenscheiding en keurig naar achteren gewerkt, terwijl je je afscheid van het aardse leven voelde naderen en de dag daarna werd je getroffen door een hersenbloeding, dat was in Westport, Connecticut, je was in één keer weg, wat je veel lijden bespaarde.

Illustratie: William James Glacken
Schrijver: Joanan Rutgers, 30 nov. 2011


Geplaatst in de categorie: literatuur

4,0 met 1 stemmen 95



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)