start toeval vragen forum links zoek contact gastenboek inhoud

Categorieën:

actualiteit (138)
adel (13)
afscheid (116)
algemeen (330)
bedankt (25)
biologie (13)
dieren (242)
discriminatie (38)
drank (48)
economie (23)
eenzaamheid (179)
emoties (170)
erotiek (68)
ex-liefde (64)
familie (113)
feest (41)
film (3)
filosofie (148)
fotografie (6)
geboorte (23)
geld (33)
geschiedenis (30)
geweld (46)
haiku (5)
heelal (38)
hobby (32)
humor (385)
huwelijk (40)
idool (42)
individu (62)
internet (30)
jaargetijden (53)
kerstmis (79)
kinderen (174)
koningshuis (22)
kunst (49)
landschap (15)
lichaam (38)
liefde (258)
literatuur (352)
maatschappij (158)
mannen (34)
milieu (14)
misdaad (119)
moederdag (11)
moraal (99)
muziek (41)
natuur (97)
oorlog (108)
ouderen (18)
ouders (36)
overig (131)
overlijden (79)
partner (55)
pesten (29)
planten (13)
politiek (50)
psychologie (114)
rampen (55)
reizen (132)
religie (143)
schilderkunst (20)
school (63)
sinterklaas (17)
sms (6)
songtekst (1)
spijt (26)
sport (80)
sterkte (2)
taal (43)
tijd (55)
toneel (10)
vaderdag (1)
vakantie (83)
valentijn (4)
verdriet (87)
verhuizen (13)
verjaardag (17)
verkeer (46)
voedsel (45)
vriendschap (85)
vrijheid (59)
vrouwen (88)
welzijn (55)
wereld (35)
werk (98)
wetenschap (18)
woede (60)
woonoord (87)
ziekte (153)

tabblad: verhalen

< vorige | alles | volgende >

verhaal (nr. 5096):

De bunzingjagers

Als oudste kleinkind groeide ik samen op met mijn jongste oom. Hij is tien jaar ouder dan ik.
Er hangen in die tijd regelmatig bunzinghuiden uitgespreid op planken in de schuur. Een bunzing huid brengt 7,50 gulden op, dat is veel geld, dat kost een enkele reis Groningen - Amsterdam.

We gaan ’s winters samen op de bunzingjacht. De Friese Stabij, een sterke compact gebouwde allround jachthond en waakhond vergezelt ons, een uitstekende zwemmer met dichte dikke vacht. Als hij iets hoort wat van belang kan zijn, een prooi of gevaar, blijft hij stokstijf staan, zonder geluid te maken, met de neus in de richting van het geluid of geur.
In m`n geboortestreek kun je urenlang over het land trekken zonder dat je een huis ziet. Het is voornamelijk akkerbouwland en er is geen prikkeldraad, wel moet je uitkijken voor enkele smalle sloten.
In de zwarte nacht op het bevroren land in het noordoosten van het land langs de Duitse grens. Een oeroud landschap, de heidemaatschappij is er bezig met de grond ontginning. De werklozen in de DUW* werkten voor hun uitkering bij de Heidemij zolang de grond niet bevroren is want dan hebben ze vorstverlet. Ik herinner mij de koude nachtlucht, de absolute stilte, de sterrenhemel.

De bunzing is een marterachtige roofdier, een lenige jager, een alleseter van muizen, ratten, mollen tot vruchten. Hij is gemiddeld een halve meter lang, plus een staart van ongeveer 15 centimeter en weegt gemiddeld een kilogram. De pels is bruinzwart met een lichte buikvacht. Opvallend is het witte gezicht met de donkere masker rondom z’n ogen.

De laatste nachtelijke tocht is omstreeks Sinterklaas in december begin vijftiger jaren. Er ligt een dunne laag sneeuw en het vriest licht, maar de oostenwind maakt het extra koud. De sneeuw dempt en geeft een aparte sfeer in het uitgestrekte vlakke land.
We vertrekken te voet om acht uur ‘s avonds met een stok met stalen punt waarmee we in de sneeuw prikken, een extra zintuig in de duisternis om niet in een greppel te vallen. In de verte een zwak geel licht van een boerderij. Ik verbeeld me lachende mensen rond de kachel. Licht in de nacht van een verlicht venster, ingebed in zwarte duisternis die niet reflecteert en alles opslokt, het licht is niet meer dan een gat in de duisternis. Het geeft mij het gevoel niet alleen te zijn. Ik leer in die nachten iets van de mens kennen, door introspectie, door te luisteren naar mijn gevoelens.
De grond is hobbelig en hard, je moet uitkijken dat je geen enkel verstuikt, laarzen geven extra stevigheid aan de enkels. Helemaal alleen op zo’n tocht is gevaarlijk, het verstuiken van een enkel brengt je door onderkoeling in grote moeilijkheden. We zijn goed ingepakt tegen de kou, een gebreide wollen muts over oren en voorhoofd getrokken en een das voor mond en neus langs zodat voor de ogen een vizier als bij een harnas open blijft.
We zoeken met zaklantaarns naar sporen van bunzings in de sneeuw. De wind doet de sneeuw opwaaien. M`n oom vloekt omdat zo de sporen van het wild worden gewist. De lichte sneeuwstorm belemmert het zicht, er vormen zich sneeuwduinen waar we in weg zakken. Het gaat niet goed zei mijn oom, wind en sneeuw verknallen het. M`n ogen beginnen pijn te doen door de snijdende wind verzadigd met fijne sneeuw. M`n adem bevriest tot een sjaal van ijs.

M'n oom zegt niets, hij ploegt voort, z'n zaklantaarn naar de grond gericht, hij prikt met zijn stok in sneeuwduinen om niet in een kuil of sloot te glijden. We staan stil en hij kijkt zwijgend rond, het zicht is slechts een paar meter, we gaan terug zei hij en er klonk iets onbestemds in z'n stem. Het verlichte venster is verdwenen. Onze sporen zijn gewist door de sneeuw en ik krijg het angstige gevoel dat we in moeilijkheden verkeren. Maar m'n oom weet de weg wel, daar twijfel ik niet aan.

De afgelegen boerderijen hebben honden en de boer niet zelden een jachtgeweer, m’n oom voelt er niet veel voor om met dit weer in de nacht aan te kloppen. Een waakhond en een geschrokken boer met een jachtgeweer is geen prettig vooruitzicht.

Tot onze opluchting stuiten we op een houten schaftkeet van de Heidemij die niet op slot is en we schuilen er in, steken de houtkachel aan. Van bunzings vangen komt niets meer terecht, dat is duidelijk. Plotseling horen we achter ons een hoop lawaai, een bunzing afgekomen op de voedselresten van de grondwerkers, bijt zich vast in de neus van de hond die hem heeft ontdekt. De hond springt jankend van de pijn en woede op en neer en probeert het halve meter lange, een kilo wegende dier, van zich af te schudden, maar de scherpe tanden dringen dieper in de neus van de hond.
Ik grijp, zoals ik geleerd heb, de bunzing bij de hals en knijp met alle kracht zijn luchtpijp dicht. Zijn klauwen halen mijn handen open. Hij laat los door ademnood en kijkt mij aan, langzaam breken zijn ogen. Ik wil hem graag loslaten, maar ik durf niet, ik wil mij niet laten kennen tegenover mijn oom. Ik laat niet los, het adrenalinegehalte is hoog en de mens is ook een roofdier. Het prachtige moedige dier dat tegen een overmacht vecht voor zijn leven sterft.

Dat is de laatste keer dat ik op bunzingsjacht ben geweest. Ik ben geen jager, dieren doden maakt mij bedroefd. De scène van de dood van het dier verdwijnt nooit uit mijn geheugen.

Deze nachtelijke geschiedenis komt als eerste m’n bewuste binnen als ik de rouwadvertentie in de krant lees dat mijn oom overleden is aan een hartaanval, slechts 58 jaar oud.

Schrijver: Henk Koster, 06-12-2013


Henkkos1atZiggo.nl


Geplaatst in de categorie: familie

Deze inzending is 305 keer bekeken

4/5 sterren met 5 stemmen.



Er is 1 reactie op deze inzending:

Naam:Han Messie
Datum:07-12-2013
Email:hmessieatlive.nl
Bericht:Henk, ik bewonder het zeer dat de laatste nacht van de bunzingjacht nog zo scherp in jouw geheugen ligt en dat je dit zo duidelijk kunt weergeven.
Je hebt je die nacht heel moedig betoond door het wurgen door te zetten en even moedig om de jacht op bunzings op te geven.
Marterachtigen kunnen zich heel flink verweren, zefs de kleine wezel vecht desnoods met honden. Hoe misleidend is de uitspraak "zo bang als een wezel!"


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)