Voedsel
In oktober hangt er dauw op de varens. De grond veert licht onder zijn poten.
Kraks staat stil en kijkt hoe een esdoornzaadje om zijn as draait. Het landt zacht in het mos.
Verderop vindt hij een kastanje. Hij begraaft haar bij de beuk, dicht bij het water. Hij drukt de koele aarde aan met zijn neus. Als hij opkijkt, zweeft er een veer tussen de stammen. Hij springt. De veer haakt in zijn staart. Hij rent ermee naar zijn nest.
De dagen schuiven langs elkaar.
Een eikel onder een mosheuvel.
Hazelnoten in een holle stam.
Ganzen, hoog boven het bos, roepend. Hij blijft staan tot het geluid wegsterft.
De vorst komt vroeg.
Kraks zit ineengedoken in zijn nest. Zijn buik trekt samen.
Hij snuffelt tussen de naalden. Er ligt niets.
Zijn poot zakt weg. Hij graaft. Een walnoot. Niet van hem. De grond ruikt anders.
‘Kraks!’
Stoffer zit rechtop, zijn staart strak langs zijn lijf.
Kraks laat de noot los.
Ze lopen.
Naar de beuk.
Naar het mos.
Naar de holle stam.
Overal graaft Stoffer één keer. Nooit voor niets.
Kraks kijkt toe. Hij zegt niets. Zijn adem dampt.
Die winter zitten ze soms samen. Ze kraken noten. Buiten sneeuwt het.
De sneeuw wordt grijs en zakt in. Het ijs op het water bij de beuk krijgt barsten.
Kraks merkt dat de lucht verandert. De kou verliest scherpte en ruikt plotseling naar natte aarde en blad.
Op een ochtend schijnt de zon. Damp hangt laag tussen de stammen. Druppels vallen uit de takken.
Kraks komt uit zijn nest en rekt zich uit.
Tussen het oude blad drukt een zachte steel tegen zijn snorharen.
Een schaduw.
Hij kijkt op.
Geplaatst in de categorie: dieren

Geef je reactie op deze inzending: