Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

De tijd, de herinnering - deel 1

'Klein Ulsda', las ik op een wit bordje dat al half was weggezakt in de berm van de B-weg. De bebouwing van dit gehucht bestond uit wat boerderijen en rijtjeshuizen aan weerszijden van het smalle, al vele malen opgelapte asfaltweggetje op luttele kilometers van de Duitse grens. De ruitewisser van de comfortabele Japanner veegde met brede, ritmische slagen het regenwater van de voorruit. Een donkergrijs wolkendek dat uit het westen naderde hield de belofte in van nog minstens een uur zware regenval.
Ik wierp een blik opzij naar mijn broer Fred. Zwijgend en ondoorgrondelijk als altijd zat hij achter het stuur. Vanaf de achterbank drong het gebabbel van mijn zoontje Wilbert tot me door; hij voerde een gesprekje met mijn moeder. Ik trok een grimas tegen hem, maar hij nam geen notitie van me.
Het landschap was hier erg kaal, maar door zijn weidsheid en strakke geometrie ook indrukwekkend. Buiten de dorpen zag je hier en daar ware slagschepen van boerderijen, door hoge beuken en bijgebouwen omgeven. Lange oprijlanen, die steevast tussen trotse, verweerde leeuwen op stenen zuiltjes begonnen, leidden naar kasteelachtige boerenplaatsen, juweeltjes van negentiende-eeuwse bouwkunst. Daaromheen strekten zich eindeloze aardappel- en graanvelden uit.
Het was het landschap dat ik me nog herinnerde van mijn jeugd, toen ik wel 'es met mijn grootvader mee mocht als hij vlees bezorgde bij klanten die in de wijde omtrek woonden van het dorp waarin zijn slagerij was gevestigd. Mijn grootvader, die door zijn kleinzonen met een mengeling van ironie en respect 'opa Spek' werd genoemd, had hier jarenlang in steeds grotere autootjes rondgetuft. Hereboeren die het te druk hadden om zelf de slagerij te bezoeken en er goed voor wilden betalen, bestelden bij hem vlees; menig bieflapje, rollade, blinde vink of pond spek had zijn weg gevonden naar dezelfde boerenplaatsen die ik hier in het landschap zag staan.
Edoch, ook de verwording had hier toegeslagen. In de vrijwel uitgestorven gehuchten die we passeerden prijkten op sommige plaatsen rode neonbuizen tegen de gevels van geblindeerde boerderijtjes: de sex-industrie eiste zijn tol. Wat zich daarbinnen afspeelde liet zich gemakkelijk raden. In gedachten zag ik al enkele hooggeblondeerde, topless 'gastvrouwen' achter de bar zitten, verveeld bladererend in Story's en Privé's, wachtend op rijke boerenzonen die zich op deze zondagmiddag wilden vertreden. Op de bovenkamertjes, waar vroeger het kroost en de meiden sliepen, werd de liefde bedreven. Sexbaronnen maakten hier, samen met autochtone hereboeren, de dienst uit.

Nog een kilometer of drie en we waren er. Na twintig jaar zou ik oom Adolf en tante Willie terugzien. Ik kon me, ondanks de kloof in de tijd die me van mijn vorige bezoek scheidde, nog goed herinneren hoe zij er destijds uitzagen en wat voor sfeer ze meebrachten. Oom Adolf was vòòr de Tweede Wereldoorlog geboren, anders had hij die beroerde voornaam natuurlijk nooit gekregen. Ik herinnerde me hem als een gezette zestiger op een scooter, die een witte helm droeg die met leren bandjes onder de kin moest worden vastgemaakt. Tantie Willie droeg altijd een groene of donkerbruine leren jas die tot de knieën reikte. Ze verspreidde een knapperig soort gezelligheid waarbij ik me als kleine jongen prima thuis voelde. Ze hield van kinderen. Anders dan de andere volwassen familieleden die bij mijn ouders op bezoek kwamen, hield zij zich wél met mij en mijn broer bezig en stelde belang in wat ons als kinderen interesseerde. Zij vormde een gunstige uitzondering op de regel, dat grote mensen waar mijn vader en moeder mee omgingen, één of twee korte vragen aan ons stelden waarop het antwoord nauwelijks werd afgewacht. Kinderen die aldus worden aangesproken, straffen dezulken met de ergste straf die de nieuwe generatie voor hen in petto heeft: ze worden domweg vergeten en rotten roemloos weg in fantasieloze verzorgingstehuizen, voorportalen van de dood waar de eenzaamheid door de gangen sluipt en de broeders en verpleegsters slechts met grote tegenzin ertoe kunnen worden bewogen om de verpleegpost te verlaten. Ik huiverde bij die gedachte alleen al en keek weer voor me.

Voor ons doemde een kleine terp op. Op het hoogste punt ervan priemde een korte kerktoren boven een ligusterhaag uit; het was de toren van een kleine kapel op een begraafplaats. Vreemd dat hier zulke kleine terpen lagen. Was de rest misschien afgegraven? En ik herinnerde me de boeken over stad en provincie Groningen die ik vroeger wel eens las. Oost-Groningen werd in de middeleeuwen vaak overstroomd. Diverse heiligen, nu bijna allemaal in vergetelheid geraakt, hadden hun naam gegeven aan overstromingsrampen die tegenwoordig op zo’n schaal alleen nog maar voorkomen bij tsunami’s in Oost-Azië. Polderland, door dijken nauwelijks beschermd, viel in de hoge middeleeuwen regelmatig ten prooi aan stormvloeden, die bij springtij en krachtige oostenwind oprukten tot ver in het Oldambt en het Oosterwold. Verschrikkelijke rampen moeten dat geweest zijn, dorpen met man en muis door de golven weggespoeld, kerktorens die als enig overblijfsel het lugubere bewijs vormden dat hier ooit, ergens... Er gaat het verhaal van een schipper, die om middernacht over de Dollard voer en in het schijnsel van de volle maan een kerktoren voor zich zag opdoemen, de kerktoren van de stad Torum, eens het bloeiende middelpunt van het Reiderland. Tegenwoordig was de Dollard een binnenzee, maar vroeger moeten daar een grote stad en 31 dorpen hebben gelegen.

- wordt vervolgd -

Schrijver: Hendrik Klaassens, 5 sep. 2006


Geplaatst in de categorie: familie

4,0 met 3 stemmen 708



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)