Inloggen
voeg je verhaal toe

Verhalen

Reisverhalen. De aankomst. Deel 1 blz. 3

Een geribbelde olifantenslurf doorsjokkend hoor ik mijn vaders woorden met een telefonische klank 'Je weet wat niet wat je ziet'. Zo móói! Nou! Ik weet niet hoevéél whisky's hij op had, in de plane, maar ik liep door een plastieken slurf. Met een ticket in mijn hand. Het plastiek wapperend in de wind. Armoedig zeg. Twééde tegenvaller. Ben ik nou zo'n zeikerd als de rest of is het allemaal zo slecht. Het is zo slecht. Oh wacht even, hij had weer eens gelijk. Daar was het verwachte. Prachtig mozaïek met edelstenen, en weet ik veel allemaal: Welcome to Indonesia.

En verder: Sukarno Hatta Airport,gemaakt van roodbruine klei. Door kinderen gemaakt? Ja, dat was leuk gedaan. Meer kan ik er niet van maken. Beetje kitsch maar alla. Of allez. Voor ons zuidelijke vrienden.

Spannend. Kleine mensjes die Indonesiërs allemaal. Blauwe uniformen dwarrelen om mij heen. Een marinedeuntje komt bij mij op. Daar zijn de Jantjes. Mijn vader heette ook Jan. Was ook zeeman. Was dit een boodschap? Zou hij mij op komen halen? Bij de douane aangekomen een rij mensen slingerend allen met paspoort in de hand. Zenuwachtig opgelaten. Willen blij zijn maar het lijkt of het niet mag. Men kijkt of ze wel of ze wel goed staan. Doodsbang zijn ze. Ook had ik had in Nederland al gehoord dat ik uit moest kijken. Vooral voor de Indonesische mensen zelf. Ze haten de douane daar. Zij zijn dan ook dikwijls het slachtoffer van het blauwe gif. Iedereen kijkt goed; waar moet ik staan.

Er zijn namelijk wel vijf verschillende kleine balies. Met daar achter zeer magere mannen. Met lange sigaretten, die haast net zo dun als hun chocoladebruine nekkies zijn. Ze vloeken tegen de grote glad gestreken blauwe kragen. En de oude Indische mensjes in elkaar gekropen van angst, te oud om nog te lopen lijkt het. Volle bossen grijs haar. Hoe bestaat het. Rokend, arrogant sigaret tussen de lippen, niet aankijkend, de wenkbrauwen omhoog met een gemeen kijkende smoel. Als de rook in hun ogen komt. Roken zonder handen moet je kúnnen. Knijpen zij er één dicht waar door zij nóg geméner kijken. En lijken. Want het was opgeblazen lucht, met een grote muil, die hun eer verkochten voor een tientje of vijf.
Jááááááh, róken zonder handen, moet je kúnnen, meneertje. Een pet op, met een vette gouden rand erom, grote adelaar in het midden. Strepen op de schouder en borst.

Links én rechts. Het valt mee dat hij ze niet op zijn voorhoofd heeft gezet. Wat een loser zeg. Die mensen zo behandelen. Dáár zou ik wel eens een keer alleen mee willen zijn.
Zou hem manieren leren. Het leken wel kopspijkers. Die grote petten op die kleine koppies, magere halsjes, en schouderloze lichaampjes, er onder. Géén ponem. Nee, ík moest ze niet. Dat stond zo vast als een huis. Die zijn zo corrupt als de pest.

3

Schrijver: Franciscus Borst, 25 jan. 2008


Geplaatst in de categorie: reizen

3,6 met 12 stemmen 282



Er zijn nog geen reacties op deze inzending.


Geef je reactie op deze inzending:

( vink aan als je niet wilt dat je emailadres voor anderen in beeld verschijnt)