Rimpeling
Langs het meer buigt de weg tussen dennen. De aarde is donker en vol naalden die onder mijn schoenen kraken. Het water is zo glad dat de wolken eronder lijken te hangen. Een eend trekt een dunne streep door het spiegelbeeld. Even later sluit het oppervlak zich weer.
Aan de oever ligt een omgevallen boom. De bast is opengereten, het hout is bleek als bot. Er groeit mos op. Als ik erop druk, veert het terug. Een vlieg zoemt rond mijn oor. Ik sla ernaar, raak niets.
Verderop staat een bankje. De verf bladdert af in dunne schilfers. Op de zitting staat een plastic beker. Er zit nog een bodempje limonade in. Een mier loopt langs de rand, stopt, draait om, loopt verder.
De zon hangt laag. Het licht is scherp, maakt elke steen zichtbaar op het pad. Ik zie een kiezel met een witte streep erin, precies in het midden. Als ik hem oppak, is hij lichter dan ik dacht. Ik leg hem weer terug, maar iets opzij, zodat de streep niet meer naar voren wijst.
Het pad wordt smaller. Tussen de wortels staat een plasje water. Het ruikt er naar nat hout en oude bladeren. Een mug landt op mijn hand. Ik kijk hoe zijn lijfje zich vult, donker en gespannen. Pas als hij wegvliegt, veeg ik het bloed weg.
Aan de rand van het bos groeit een struik met rode bessen. Ze glanzen in het licht, bijna doorzichtig. Eén bes is opengebarsten. Het sap is donker en kleverig. Er hangt een zoete, zure geur. Ik proef een bes en spuug hem uit.
Ik ga zitten op een steen. Hij is koud, ook al ligt hij in de zon. In het water aan de overkant staat een dunne tak rechtop. Een windvlaag strijkt over het meer. Het oppervlak rimpelt, en de wolken breken in stukken.
Even is het water weer stil. Dan zie ik mijn gezicht, vaag en uitgerekt. De wind komt terug en trekt het beeld uit elkaar.
Geplaatst in de categorie: landschap

Geef je reactie op deze inzending: